10 april

Ik benijd ze niet, de webcamgirls die voor veel geld online met hun benen wijd gaan. Nog lastiger te bedwingen dan alle hongerige mannen, gedreven door allesverterende lust, is namelijk de verbinding met de camera die ons uit pixels opgebouwde gelaat in andermans woningen doet verschijnen. De afgelopen maand zat ik vaker voor de webcam dan in mijn hele langvervlogen leven daarvoor. Ik vergaderde, sprak met studenten en nam examens af. Wat ik daarbij op voorhand vreesde werd regelmatig bewaarheid: het digitale wezen liet mij, vaak op meerdere, zo niet alle, fronten in de steek. Met rooddoorlopen ogen fantaseerde ik na de zoveelste mislukte meeting dat ik de laptop uit het raam zou flikkeren, mezelf zou opsluiten op zolder en daar, tot het einde der tijden zou blijven zitten, verstoken van alles wat een kabel heeft of draadloos heet.

De kreten die ik slaakte tijdens de online bijeenkomsten, misstaan niet in een gedicht, dat het best tot zijn recht komt als het wordt voorgedragen door een oude, zwaar doorrookte mannenstem die na elke regel traag dicteert en regelmatig zucht.

Zie jij mij?
Jij bent onzichtbaar.
Geluid is er wel.
Of toch niet, nee. Helaas.
Ook geen geluid.
Ja! Ja.
Ik zag je even.
Maar je bent weer weg.
Ik haat het. Ik haat het. Ik haat het.
Ik haat het echt.

En dan een lange, lange zucht die als metafoor moet worden opgevat voor het leed van het leven.

Terug