11 mei


Vandaag is de dag dat onze ketenen langzaam worden ontsloten, dat de wurggreep waarin we leven verslapt. Het is de dag waarin we de eerste, voorzichtige stapjes zetten in een collectieve natte droom van ongedwongen vrijheid. De basisscholen openen hun deuren, kinderen mogen weer samen sporten, uitoefening van de meeste contactberoepen is eindelijk mogelijk en, allesbehalve onbelangrijk, de bibliotheken mogen hun deuren weer openen. Genoeg reden dus voor confetti en slingers, driedubbele jubel en jolijt, maar de stemming in het land is daar allesbehalve naar. De weerstand tegen de virusremmende maatregelen groeit zienderogen, want de lokroep om volledige vrijheid klinkt alsmaar harder. Geef de mensen een vinger en ze willen, nee, ze eisen meteen de hele hand. Wat zeg ik: de hele arm, en de andere arm erbij. Als we toch bezig zijn, doe dan maar meteen het hele lijf.

Het zijn al met al buitengewoon roerige tijden, en elke dag realiseer ik me meer dat ik voor het eerst in mijn leven leef in de geschiedenis. Een dergelijke uitspraak behoeft wellicht enige uitleg. Welnu: ik ben er vrijwel zeker van dat kinderen, creaturen die nu nog vloeibaar zijn, over decennia op school (of wat daar tegen die tijd van over is) zullen leren over de tijd van nu. Wij hebben nu, zo realiseer ik mij, eindelijk een onderwerp gevonden waarmee wij onze toekomstige kleinkinderen elke zondagmiddag over kunnen doorzagen.
‘Neem nog een koekje, en luister goed als ik vertel over de roerige maanden in het voorjaar van twintig-twintig, toen het leven van opa en oma een ongekende vlucht nam….’
De kinderen zuchten, wisselen onderling een vluchtige, veelzeggende blik en nemen inderdaad nog maar een koekje. Daarna luisteren ze naar een verhaal uit de oude doos, waarin de mensen niet alleen elkaar, maar vooral zichzelf steeds beter leren kennen.

Terug