12 april

Ik zit in de tuin en luister het gesprek af dat onze buurman- en vrouw voeren. Dat is geen lastige opgave, aangezien de man een stemvolume heeft alsof hij door een megafoon schreeuwt. Met gespitste oren horen Lisa en ik de afgelopen weken zijn beweringen aan, die negenennegentig van de honderd keren nergens over gaan en vooral: nergens op slaan. Hij is een typische Nederlander, in de zin dat hij ten stelligste dingen beweert waar hij allesbehalve verstand van heeft. Toch leren zijn woorden me iets: dat er een morele grens is aan vrijheid van meningsuiting bijvoorbeeld.
‘Naar het verleden moet je niet te veel kijken,’ hoorde we hem in de tuin zeggen, ‘want voor je het weet stoot je je harses aan de toekomst.’

Ik schrik, want ik realiseer me dat hij voor de verandering een zinnigheid heeft uitgeslagen. Nu de virusstorm langzaam lijkt te gaan liggen, wordt het tijd de blik naar voren te richten. In hoeverre die toekomst de opbeurende kleuren heeft van de bloemetjes die in onze achtertuin opkomen, is nog maar zeer de vraag. Ik ben er bang voor dat de wereld zich na de coronacrisis in een tristesse wentelt, een collectief posttraumatisch stresssyndroom dat ervoor zal zorgen dat we, lang nadat we de groepsimmuniteit in onze broekzakken hebben, afstand houden van elkaar en panisch worden bij de minste hooikoortsklacht. Een dystopisch vooruitzicht: voor elk raam in onze huizen, inclusief de voordeur, zal in hartje zomer een hermetisch afgesloten rolluik neerdalen om ons af te sluiten van elk ander. We blijven winkelkarretjes gebruiken als schild tegen het onzichtbare. De zwembaden, die drukbezocht hadden moeten worden, zijn waterloos en groene aanslag koekt aan op de bodem. Verpleegtehuizen blijven ondoordringbare forten, waar elke indringer vakkundig wordt geweerd. Alhoewel het zorgpersoneel de strijd al lang heeft gewonnen, blijven zacht wapperende waxinelichtvlammetjes de Nederlandse vensterbanken sieren.

Oei. Wie niet uitkijkt, stoot blijkbaar ook als hij ernaar kijkt, alsnog z’n harses aan de toekomst. Het beste leven we dus maar gewoon in het nu, met het verleden veilig achter en de toekomst voor ons. Nu, nu de zon schijnt en we er het beste van maken in de achtertuin, met de bulderende woorden van de buurman als geruststellende achtergrondmuziek.

Terug