13 mei


In de Nederlandse literatuur ontstond begin jaren negentig een nieuwe stroming van auteurs, de zogenaamde ‘Generatie Nix’. Het waren schrijvers als Zwagerman en Giphart, van een generatie die volgens hun voorgangers geen wezenlijke maatschappelijke veranderingen hadden meegemaakt, en die derhalve alleen over banale onderwerpen als de popcultuur en seksualiteit konden schrijven. Ze sneden weinig nieuwe thema’s aan, maar borduurden voort op de weg die hun voorgangers vrijmaakten. ‘Je mag het niet zeggen, maar je gunt de jongens een wereldoorlog,’ zou een schrijver van de oudere, gevestigde generatie eens gezegd hebben, terwijl hij een bloembol herkauwde.

Inderdaad: wereldschokkende gebeurtenissen zijn veel schrijvers van de jaren negentig tot nu veelal bespaard gebleven. Aan de waarde van de literatuur heeft dat wat mij betreft nooit veel afgedaan – alleen de functie van verhalen is veranderd. De Generatie Nix wilde vermaken, waar hun voorgangers nogal eens wilden aanzetten tot fysieke of mentale actie.
Het lijkt er echter op dat de coronacrisis daar verandering in kan gaan brengen. Wat telkens in journaals en talkshows wordt gezegd is namelijk waar: na de Tweede Wereldoorlog maakten we nooit een situatie mee die zo akelig veel gevolgen met zich meebracht als de huidige. Heus waar: de eerste coronaroman, geschreven door schrijver en taalkundige Wim Daniëls, kan vanaf morgen als opvulling voor de Nederlandse boekenkasten worden gebruikt. Het zal de eerste zijn in een eindeloze reeks virusliteratuur, waarmee we de komende jaren waarschijnlijk in zulke mate overstelpt zullen worden dat we de boeken, uit nostalgische overwegingen, maar verscheuren en gebruiken als toiletpapier. Want zo ging dat toch zeker, in het door hersenschimmen vervaagde vroeger, in de tijden van grote schaarste?

Terug