14 april


Het was Tweede Paasdag. Toen ik mezelf eindelijk uit mijn bed had getorpedeerd, gleed ik de trap af naar beneden. Vreugdeloos at ik van mijn ontbijt terwijl ik apathisch naar het zwarte zwart van de uitgeschakelde televisie staarde. Al na twee happen merkte ik aan mijn protesterende maag dat de bourgondisch overdadige gourmet van de avond ervoor zijn sporen had nagelaten. Ik stond weer op en kieperde de rest van mijn ontbijt bij het vuilnis.
En wat toen? De dag lag voor me als een uitgestrekte woestijn waarin de leegte heerst. Hij staarde me met een angstaanjagende blik aan. Ik kon op de bank gaan hangen, een film kijken. De donkere kruidenboterlucht van me af badderen, een wandeling maken in het zacht wapperende groen. Maar zoiets doen, dat feitelijk niets doen is, daarmee zou ik kostbare tijd verspillen.

Vanaf de eerste ophokdag al kwelt het gevoel me iets te moeten doen, utilitaristisch bezig te zijn. Iets is pas goed als het aanwijsbaar nut heeft. Vandaar dat ik, op de dag dat duidelijk werd dat de scholen zouden sluiten, tot de start van dit dagboek besloot. Ik zou mijn kostbare uren niet verspillen aan gelanterfant en geflierefluit, elke stap die ik zou zetten zou ik maken in naam van een hoger doel.
Maar: zoals het telkens gaat met mijn vaste overtuigingen, kwam ik er gisteren achter dat ik dat niet vol kon houden. Ik was moe, uitgeput van een maand binnen zitten. Het vooruitzicht van nog een dag productief bezig zijn – nog maar een wasje, de slaapkamer stofzuigen, een extra column schrijven in geval van toekomstige tijdsnood, een grondige opruimbeurt van mijn bureaulades - verlamde me. Fuck mezelf, fuck het nut en fuck de angst voor de woestijn, dacht ik. Ik zakte op de bank, zette de televisie aan en viel vrijwel meteen in slaap op de bank. Toen ik wakker werd, vulde de geur van avondeten de kamer.
Ik kon er weer even tegenaan.

Terug