15 april


Onze toiletborstel was stuk, de wasverzachter op en nergens in huis konden we nog nietjes vinden. Om niet schreiend ten onder te gaan aan al die rampspoed, stond Lisa en mij maar één ding te doen: de plaatselijke Action met een bezoekje vereren.

‘Het zal wel druk zijn,’ zei Lisa onderweg, en alhoewel dat wel meeviel moesten wij, eenmaal gearriveerd, toch aansluiten in een rij. ‘Het lijkt de Efteling wel,’ zei een mevrouw achter ons giechelend, en riep daarmee een beeld op van sprookjesachtige vrolijkheid die in niets te vinden was in de chagrijnige lieden in de rij, die mokkend mini-stapjes voorwaarts deden.
Een kwartier later, we hadden het pand inmiddels betreden, wurmde ik me schuldbewust door de gangen met goedkope prullaria. Het bleek niet eenvoudig de anderhalvemeterregel in acht te nemen: het was onmogelijk om met twee winkelkarbestuurders naast elkaar te staan in de smalle gangen. Wie zomaar een inhaalmanoeuvre initieerde, vormde derhalve een acute dreiging voor de volksgezondheid.
‘Ik zeg dit niet graag,’ begon ik, zwetend vanachter mijn winkelkar, ‘maar vroeger, vroeger was alles beter.’
Lisa stemde, vanachter haar eigen wagen, toe. Toen zag ik het. Wij, restaurateurs van vervlogen tijden, stopten met winkelen en namen zonder iets te zeggen dezelfde zwart-witte beelden in herinnering. Gescheurde foto’s en krakende filmpjes van toen we lachend door deze gangen liepen, onze huisraad bijeen zoekend toen we gingen samenwonen. De pret kon niet op toen we een, twee, drie karren met snuisterijen vulden, waarvan we grofweg driekwart nooit zouden gebruiken. Een derde soeplepel? Hartstikke handig: meenemen die handel. Twee asbakken? Niet dat we rookten, maar toch. Je wist maar nooit wat de toekomst bracht. Inladen dus maar. Het maakte niet uit: we maakten plezier, daar ging het om.
‘Pardon,’ zei de mevrouw van de Efteling-opmerking plots, ‘zou ik er even langs mogen, alsjeblieft?’ De zachte glimlach om Lisa’s mond verdween: onze herinnering spatte als een luchtbel uiteen. Pats.
‘Maar natuurlijk,’ zei ik, ‘welgemeende excuses.’
We schoven op naar de uiterst linkse kant van de gang, ik verdween haast in een berg duizenddingendoekjes om me te verbergen voor wat de wereld platlegt. Niet hoesten, dacht ik almaar, niet hoesten.
‘Dankjulliewel,’ zei de mevrouw, ‘heel vriendelijk.’
Vijf minuten later stonden we buiten, met alleen het strikt noodzakelijke in onze gedesinfecteerde karretjes.

Terug