16 april


Ik wandelde mijn dagelijkse rondje, keek naar mijn handen en kon een hartaanval van schrik net nog voorkomen door mijn blik op tijd af te wenden. Snel zocht ik een bankje en zeeg daarop hijgend neer, alsof ik met veertig graden een dubbele marathon had gelopen. Ik stak ze voorzichtig voor me uit, mijn handen, het gereedschap van mijn leven, waarom had ik ze eigenlijk niet voor een vermogen verzekerd, schoot het door me heen, domme, domme ik, en nam door mijn tot spleetjes geknepen ogen voorzichtig de schade op.

Door het overdadige reinigen van de afgelopen weken – met zeep, zonder zeep, met staalspons, zonder staalspons – waren ze verworden tot twee hoogbejaarde, haast uitgedroogde schildpadden. Elk van die gore beesten bloedde op meerdere plekken, maar voornamelijk zaten er wondjes op de vijf tentakels die ze allebei met zich meezeulden. Gruwelijk, dacht ik, het is gru-we-lijk. Beelden van oorlogsfilms, dood en verderf in de loopgraven, drongen zich aan me op.
Inmiddels had ik mijn ogen half geopend en zag ik aan de witte plekken en strepen hoe de dorstig mijn handen waren. Eenmaal thuis zouden ze naar de pot Niveau reiken zoals een verdwaalde in de woestijn strompelt naar een van krakend helder water overgoten oase, en haast flauwvallen van geluk als ze ingesmeerd zouden worden. Het vooruitzicht van mijn handjes, die in een innige paringsdans omwikkeld, elkaar straks van vettigheid zouden voorzien, bezorgde me kippenvel en gaf me moed mijn ogen helemaal te openen.
Omdat ik onder een boom zat had ik het niet gemerkt, maar ik zag dat het zachtjes regende. Als vanzelf schoven mijn handen zich razendsnel in mijn jaszakken, om zich te beschermen tegen nog meer schuring. Ik had medelijden met ze, die lieve klauwtjes van me. Hun angstig gepiep was door de jaszakken heen te horen.
‘Kom maar,’ fluisterde ik liefkozend, ‘het is al goed. We gaan naar huis,’ en met twee trillende schildpadden in mijn jaszak blies ik de aftocht, de vettige verlossing tegemoet.

Terug