16 mei


Ik stond bij de bushalte wolkjes adem uit te blazen. Het was lang geleden dat de wekker me om kwart over zes ruw uit de schandalige heerlijkheid van de droomwereld vandaan had getrokken en dus gierde de cafeïne door mijn lijf en probeerde met alle macht de baas te worden over de slaap die vooralsnog heerste. Ik kon het mij echter niet veroorloven om, staande in het bushokje, te vervallen in eindeloos gemijmer over mijn zachte bedje, want er diende een belangrijke beslissing gemaakt te worden over het stukje stof dat brandde in mijn jaszak. Moest ik, alhoewel het nog niet verplicht was, toch al een mondkapje opdoen in de bus?

Wie iets van psychologie weet, had op dat moment aan de hand van mijn immense twijfel vast mijn persoonlijkheid kunnen ontleden. Moest ik het mondkapje opdoen, zoals ik thuis had geoefend over de mond én over de neus, en zo de bus instappen? Maar: stel dat niemand anders een mondkapje om had – dan zou ik zeker overkomen als een paria, een hypochondrische angsthaas, die altijd alles zo nodig tot in het uiterst uiterste moet overdrijven. Wat is de volgende stap, gekkie? Astronautenkostuum? Sukkel.
Of zou ik ervoor kiezen het mondkapje in mijn jaszak te laten, om dan bij het betreden van de bus te worden aangestaard door duizend paar verwijtende ogen: het komt door jou, halfgare beroepsmongool, dat de ic’s telkens volstromen! Gewetenloze moordenaar! Heb jij, heeft de verrotte jeugd van tegenwoordig dan werkelijk nergens respect meer voor? Opsodemieteren verdomme, de bus uit!

In de verte naderde de bus. Het kwam er nu op aan, ik moest de knoop doorhakken. Wat te doen? Mijn gestel begaf het haast onder de onmenselijke druk die de imaginaire medepassagiers op mij uitoefenden. De bus kwam vlug dichterbij, zo zeer dat ik het silhouet van de chauffeur al zag. Stijf kneep ik mijn ogen dicht en met een hartslag als housemuziek besloot ik het kapje in mijn jaszak te laten.
Ik stapte in en keek schichtig om me heen terwijl ik mijn ov-chipkaart tegen de blieper hield. Op de chauffeur en mijzelf na, was de bus leeg.
‘Goedemorgen!’ riep hij vrolijk. ‘Ga lekker zitten, plaats genoeg.’ De chauffeur lachte hartelijk, alsof hij een hele goede grap had gehoord.

Terug