18 april


Precies een maand geleden opende ik dit dagboek. Het was 18 maart, de verjaardag van mijn oma. Omdat onzichtbare etterbakjes langzaam haar bewustzijn wegvreten, was ze zich daar zelf echter niet van bewust. Toen ik het stukje over mijn afwegingen om haar wel of niet te bellen schreef, zag ik haar voor me - zittend op het vaste stoel in het verzorgingstehuis waar ze sinds anderhalf jaar bivakkeert, zich hardop afvragend waarom het in godesnaam zo stil is, in huis. Die allereerste dagboeknotitie sloot ik als volgt af: ‘Wij schuiven haar geboortedag gewoon een maand vooruit. De welgemeende felicitaties zullen er straks niet minder om zijn.’

De bewuste maand later kan ik een zachte gniffel niet onderdrukken. Wat een stuitende naïviteit! Ik zag zeker de ernst in van de situatie, maar dat de judogreep waarin het coronavirus onze maatschappij zou klemmen zó langdurig verstikkend zou zijn, kon en wilde ik niet voorzien. Alhoewel het ernaar uitziet dat sommige maatregelen vanaf volgende week, zeer intelligent stapsgewijs, worden versoepeld, zullen de verzorgingstehuizen waarschijnlijk voorlopig hermetisch afgesloten blijven voor alles wat uit de grote boze buitenwereld komt, die zo stil is geworden dat elke speld die er valt tot permanente gehoorschade kan leiden. De kwetsbaren zullen tot het bittere eind worden afgezonderd, en dat vervult me om voorstelbare redenen tegelijkertijd met geruststelling en droefenis.
Het zal nog de nodige dagen, weken, maanden duren voordat ik mijn lieve oma de kussen mag geven die ik voorlopig in het magazijn heb gelegd. Elke dag dat het langer duurt, tel ik er gewoon één verjaardagszoen bij op.

Terug