18 mei


Eén keer eerder slechts was ik kort terug geweest om wat papieren op te halen, maar vorige week moest ik een halve dag doorbrengen op wat alleen aan de buitenkant nog aan mijn school refereerde. Een zestal studenten moest een schriftelijk examen herkansen, en derhalve draafde ik op om te surveilleren. Omdat ik verwachtte dat de aanblik van een zielloze school me hard zou treffen, zorgde ik dat ik op tijd aanwezig was – en zo kwam het dat ik reeds om half acht de klapdeuren openduwde. Wat ik zag nadat ik mijn gestel grondig had gedesinfecteerd, trof me inderdaad ongenadig: op de grond waren met grote pijlen looprichtingen aangegeven, voor docenten andere dan voor studenten, schoonmaaksters schrobden hardhandig tafels waar toch niet aan gezeten zou worden, en de ochtendradio die me in de aula op andere dagen tegemoet blèrde, stond uit. Kortom: de volstrekte verandering van wat ik door en door meende te kennen, sloeg me om de oren. Toen ik naar mijn kantoor liep, zag ik dat zelfs de prikborden doorheen de school waren ontdaan van hun schreeuwerige posters. Voor het kantoor volgde ik de aanwijzingen op een op de deur geplakt A4’tje voor het ontsmetten van mijn handen alvorens ik de deur ontsloot. Toen ik de werkruimte betrad, walmde een zware, muffe zolderlucht me tegemoet. Ik zette de ramen open en nam plaats op mijn bureaustoel, waar ik gedurende anderhalf bleef zitten, terwijl ik lusteloos voor me uit staarde.

Toen was het tijd om naar het lokaal te gaan. Daar aangekomen volgde ik de instructies die me, met grote hoofdletters en de nodige uitroeptekens, van tevoren waren ingeprent. Vier van de zes studenten dienden in de hoeken van het lokaal plaats te nemen, en de andere twee in het midden. Zo zou de anderhalve meter gewaarborgd worden.
‘Hèhè,’ zei ik toen het kleine groepje studenten dat zich in het lokaal had verzameld was gaan zitten, ‘wat ontzettend fijn om jullie weer te zien. Ik heb jullie gemist, de afgelopen maanden,’ en ik vertelde over wat mij bezig had gehouden – over mijn tijdverdrijf de afgelopen tijd, hoe ik geen keus had dan me door onzekerheid en twijfel laten leiden. Ik vertelde en vertelde, kon haast niet stoppen.
‘Ja,’ onderbrak een meisje me toch. Het was me reeds opgevallen dat ze zenuwachtig om zich heen keek. ‘Het was inderdaad niet makkelijk. Maar’ - en ze dacht even na - ‘kunnen we anders nu gewoon met de toets beginnen? Het is al drie minuten over tijd.’

Terug