19 april


De nobelprijs in de categorie Overweldigend Enthousiasmerende Chauffeurskwaliteiten zou ik sowieso al nooit verdienen, maar omdat mijn rijlessen al ruim een maand op de rem staan, was ik bang dat er van het kleine beetje pas opgedane rijvaardigheid helemaal niets meer zou overblijven. Daarom dirigeerde ik Lisa naar een verlaten parkeerplaats.
‘Laat mij nu maar eens een rondje rijden,’ zei ik, en klikte mijn riem al los. Lisa keek me met grote ogen aan. ‘Toon,’ fluisterde ze, alsof er een politieagent op de achterbank zat die niets mocht weten van de aankomende illegale handeling, ‘dat mag niet. En daarbij: we hebben deze auto net drie maanden.’ Nonchalant keek ik om me heen. Naast een struik, waar ik de auto alleen achteraf, tikkend achter mijn laptop, voor het komische effect in zou laten verdwijnen, zag ik geen enkel obstakel dat voor problemen kon zorgen.
‘Na 29 lessen kan ik echt wel iets, hoor. Kom nu maar,’ zei ik, en stapte uit. Mokkend deed Lisa hetzelfde.

Dan breekt voor de schrijver een dilemma aan: ga ik mezelf tóch in die ene struik op het verder verlaten parkeerterrein laten verdwijnen, wel zo grappig, of houd ik me bij de feiten? Laat ik voor de verandering eens voor die laatste optie kiezen.

Ik nam plaats achter het stuur en klikte mijn riem vast. Mijn voeten trappelden ongeduldig boven de drie pedalen, mijn handen op tien voor twee. Ik zette me schap, de auto zou weldra in beweging komen.
‘Dat ding rijdt niet,’ zei ik toen de motor pruttelde, en dacht meteen: de auto is kapot. Ik heb nog geen meter gereden en ik heb onze nieuwe auto gesloopt.
Lisa keek weer naar me met grote ogen. Ze schudde haar hoofd, alsof ze niet kon en wilde geloven wat ze zag. Een man liep het parkeerterrein op, een vrolijk klein hondje een paar meter voor hem uit.
‘Hij doet het echt niet,’ zei ik. Het pruttelen werd brommen en het brommen werd grommen, maar de auto kwam niet van zijn plaats. Zachtjes vloekte ik.
‘Toon,’ zei Lisa kordaat, ‘kijk nou eens even goed.’
Paniek maakte zich vliegensvlug van me meester. Ik keek en keek en keek, controleerde en controleerde en controleerde, maar volgens mij deed ik alles goed. De meneer die zijn hondje uitliet, zag hoe ik uit hopeloze woede op het stuur sloeg. Dat hij mij niet kon horen was mooi, want de ziektes die ik als vloeken uitriep, dropen langs de voorruit omlaag. Hij bleef even stilstaan, de man, en maakte toen samen met zijn hondje rechtsomkeert.
‘Hoe moet dit?!’ schreeuwde ik inmiddels wanhopig, ‘ik weet niet hoe dit moet! Kutzooi! Wat een ellende! Godverdegodv…’
‘Toon, de handrem,’ onderbrak Lisa me. ‘De handrem staat er nog op, en je staat ook nog in de vrij.’ Ze zette de auto rustig van de handrem en schakelde naar de 1.
‘Eerst rustig worden, en dan een rijd je maar eens een mooie acht,’ zei ze zacht.

Terug