19 maart

Steeds meer bekruipt me het angstige besef dat wij in oorlog zijn, met artsen als soldaten en de intensive care als frontlinie. Wij, bange burgers, zitten thuis en volgen via krakerig Radio Oranje de laatste ontwikkelingen op de voet. De voorraad mondkapjes slinkt in rap tempo, horen we. Mondkapjes, de artillerie die we niet missen kunnen in de strijd tegen de onzichtbare verderfelijkheid. En dat terwijl onze legeraanvoerder, de minister van Medische Zorg, van gekmakende vermoeidheid niks anders meer weet dan achter zijn spreekgestoelte in de Tweede Kamer in elkaar te zakken.

Ik kan niet anders dan het toegeven. De situatie maakt me, dwars door mijn Hollandse nuchterheid heen, bang. Gisteravond keken Lisa en ik in bed naar de uitzending van Jinek, waar bleek hoe hoog de nood is. Beelden van een ziekenhuisafdeling in Italië, waar medemensen, jij en ik, als geslacht vee op hun buik liggen te wachten op de verlossing, schoten als illegale vuurpijlen op onze netvliezen om daar lelijke littekens achter te laten.
Ik zette de televisie uit, Eva Jinek verdween in het duister. Door het zwakke schijnsel van de plastic plaksterretjes op het plafond van onze slaapkamer zag ik hoe Lisa haar ogen stijf had gesloten.
‘Zullen we voorlopig de talkshows maar ’s ochtends of ’s middags terugkijken?’ vroeg ik.
Ze knikte.
‘En nu dan maar proberen te slapen.’

Terug