20 april


Sinds jaar en dag knipt Lisa mijn haren. Beter gezegd: met een tondeuse in haar handen en kleine zweetdruppeltjes op haar voorhoofd gaat ze eens in de maand mijn warrige hoofdhaar te lijf. Dat is een gewoonte die er in de loop der jaren een beetje is ingeslopen – van de sluiting van de kapsalons ondervind ik dan ook geen hinder. Doorgaans slagen die thuisknipsessies erg goed. Zeker, af en toe bloedt mijn oor of wordt een plukje haren plotsklaps uit hun zakjes getrokken, maar over het algemeen doet Lisa het goed - klachten over een uitzichtbedervend kapsel krijg ik alleszins nooit.

‘Hoe lang denk je dat de scholen nog gesloten blijven?’ vroeg Lisa gisteren, toen ik het wel en wee van mijn haardracht weer in haar gouden handjes had gelegd. Driftig ging ze het haar aan de achterkant van mijn hoofd te lijf: dat heeft de natuurlijke neiging alle kanten op te groeien en laat zich derhalve lastig beteugelen.
‘Dat zal nog wel even duren,’ begon ik, en stak een, al zeg ik het zelf, buitengewoon intelligent relaas af over weloverwogen beslissingen van het kabinet, mijn visie op onderwijs en daarna op de wereld in het algemeen. Ik staakte toen me iets te binnen schoot.
‘Hoezo?’ vroeg ik angstig.
‘Ik ben misschien,’ mompelde Lisa zacht, ‘tja, hoe zal ik het zeggen … ik ben misschien een heel klein beetje, maar niet dat je het heel erg ziet hoor, je moet het weten, anders zie je het niet, gewoon echt een klein beetje zeg maar … uitgeschoten. En nu moet ik plassen.’ Met kleine stapjes trippelde ze razendsnel de kamer uit, mij in huiverige verbijstering achterlatend.
‘Lisa!’ riep ik vanuit de stoel. Ik voelde aan de plek aan de achterkant van mijn hoofd, waar haar had moeten zitten. Mijn vingers beroerden koud, kaal vel. Ik vloekte en nogmaals liet ik de naam van mijn vriendin door ons huis galmen, deze keer in hoofdletters.
‘Wat fijn,’ hoorde ik vanuit de badkamer, ‘dat je voorlopig nog niet naar school hoeft. Kan dat haar lekker thuis weer aangroeien.’

Terug