20 maart

Ik moest naar de apotheek en dat werd een onderneming die ik niet snel zal vergeten. Om begrijpelijke redenen mochten er slechts drie klanten tegelijk binnen zijn, en aan de lijnen op de grond was te zien hoe ver iedereen van elkaar vandaan moest blijven. Toen ik aan de beurt was om mijn hooikoortsmedicijnen af te halen (een slechtere timing voor mijn jaarlijks terugkerende snotter- en niesconcert is ondenkbaar), wandelde ik rustig naar de balie, waarop de dame in witte jas daarachter met grote, angstige ogen terugdeinsde achter een schap met hoestsiropen.
‘Nee!’ riep ze angstig, ‘bestellen van achter de streep!’
Geschrokken week ik een paar meter terug. Ook de mevrouw achter de balie keerde terug op haar plek.
‘Ik kom een recept voor Roumen afhalen,’ zei ik van een meter of drie, en gaf mijn geboortedatum.
‘Pardon?’ vroeg de vrouw.
‘Roumen,’ herhaalde ik harder, en nogmaals de dag waarop mijn zon begon te schijnen.
‘Houmans?’ Driftig tikte ze op haar toetsenbord.
‘Roumen!’ riep ik, en voor de zekerheid spelde ik twee keer mijn achternaam. Een beetje speeksel verliet bij het gillen mijn mond.
‘Ah,’ zei ze, ‘ik zie het inderdaad. Roumen. Geboortedatum?’

Nadat ze in de ruimte achter balie samen met haar collega’s in ontelbaar veel bakjes had gegraaid, kwam ze terug met de voor mij bestemde doosjes. Weer wilde ik op haar aflopen, maar ze hief haar vinger resoluut ten hemel.
‘Ik leg het hier neer, loop weg en dan komt u het halen, meneer Houmans.’
Wat kon ik anders dan schaapachtig knikken? Ze legde de medicijnen op de toonbank en verschanste zich weer achter het rek met hoestsiropen alsof ik haar elk moment met een welgemikte trefbal in haar gezicht kon raken.
Dat er ondanks alles toch nog iets te lachen viel, was een luchtig besef.

Terug