20 mei


‘Ook de rij-instructeurs mogen vanaf 11 mei weer aan het werk,’ sprak Rutte rustig, alsof er niets aan de hand was. In werkelijkheid kwam het bericht als donderslag bij toch al niet zo heldere hemel, want vrijwel meteen vuurde mijn lichaam triljarden stresshormonen door mijn gestel, die samenkwamen ter hoogte van mijn borst en vanuit daar vrolijk bungeejumpten naar lager gelegen regionen. Een zwakke misselijkheid stak de kop op.
‘O God,’ zei ik meteen, en ik keek naar Lisa, die me met een droge blik aanstaarde. Waarschijnlijk wist zij wat komen kon: een ellenlange, met niets dan doodsangst en woede doorspekte tirade over mijn eigen onvermogen wanneer het op chauffeureren aankwam. ‘Ik ben in deze twee maanden alles verleerd,’ sprak ik tot haar, ‘inhalen op de snelweg, achteruit inparkeren, de hellingproef … Wat moet ik doen? De boel maar afblazen? Jij rijdt toch eigenlijk best wel goed. O … ik krijg dat apparaat waarschijnlijk niet eens meer in beweging.’
‘Dat zal wel meevallen,’ antwoordde Lisa, en gebaarde wild dat ik mijn mond diende te houden: de minister-president was nog niet klaar met het opsommen van de versoepelingslijst. Alle losgekomen negativiteit liet zich echter niet zo makkelijk beteugelen: alhoewel ik in de komende dagen mijn mond hield, horrorde ik in mijn hoofd verder tot het 11 mei was en ik weer ‘mocht’.

‘Ben je nerveus?’ vroeg mijn rij-instructeur grappend, toen ik aarzelend in zijn richting stapte. Hij wilde me, als altijd, joviaal op de schouder slaan, maar bedacht zich op het laatste moment.
‘Ach, alleen wat gezonde wedstrijdspanning,’ mompelde ik, en nog nooit had ik zo graag gewild dat een leugen geen leugen was. Omdat me verder niets anders meer te doen stond, stapte ik in en haalde diep adem.
Vrijwel meteen verbaasde ik me daarna over de routine waarmee mijn lichaam handelde. Mijn voeten zetten zich op de juiste pedalen, mijn ene hand trok zonder om te zien aan de handrem en daarna stuurde ik – al schrijf ik het zelf – buitengewoon behendig de straat uit.
‘Kijk eens aan,’ zei de man. ‘Je bent het niet verleerd.’
‘Ha,’ antwoordde ik opgelucht, ‘dat had ik ook niet verwacht. Ik zeg gisteren nog tegen Lisa: rijden is als fietsen: dat verleer je niet zomaar.’
‘Zo is ‘t,’ bromde hij, toen ik naar de derde versnelling schakelde, ‘zo is ‘t.’

Terug