21 april


Naar vandaag heb ik uitgekeken als naar mijn verjaardag. Dagenlang heb ik afgeteld, en toen ik vanochtend slaapdronken de trap af stommelde, hoopte ik ergens dat ik de woonkamer versierd zou aantreffen, vol vrolijke ballonnen en vlaggetjes, lichtgekleurde confetti op de donkere laminaatvloer. Giechelend van ongemakkelijke spanning zou ik de kamer dan betreden, en Lisa aantreffen achter een groot cadeau op de tafel. ‘Gefeliciteerd,’ roept ze vrolijk, en strooit nog een handje confetti in het rond. Dan schuift ze het cadeau in mijn richting.
‘Het is zover. Je mag het uitpakken.’ Dat laat ik me geen twee keer zeggen: meteen begin ik aan het gekleurde papier te rukken. Al snel komt een kleine metalen fles tevoorschijn. Alhoewel ik het nooit eerder heb gezien, weet ik meteen wat het is. Mijn hart maakt een sprongetje en mijn lompe lichaam doet met mij mee: ik heb gekregen waar ik om heb gevraagd, ik heb gekregen wat ik zo nodig heb.
‘Een fles zuurstof,’ roep ik verheugd, ‘eindelijk een beetje ademruimte.’ Ik kus haar op haar wang.
‘Ik heb heel lang moeten zoeken,’ zegt ze dan, ‘maar uiteindelijk heb ik het gevonden. Het is niet veel, maar toch. Zullen we het delen?’ Wat kan ik anders dan, extatisch van oprechte vreugde, zeggen dat ik niets liever wil?

De afgelopen weken waren van een ongekend verstikkende ellende en ik hoop dat vandaag de dag zal zijn waarop we ons enigszins uit de wurggreep kunnen losmaken. Ik zit alvast klaar voor de televisie met, ondanks dat het niet hoeft, Lisa op anderhalve meter afstand. Ik doe alles om te laten zien dat ik braaf ben geweest, dat ik goed heb geluisterd. Alles voor een versoepeling van de maatregelen. Alles voor een klein beetje zuurstof.

Terug