21 maart

In andere weken sjok ik rustig van lokaal naar lokaal om daar het fundament van de menselijkheid, de taal, te onderwijzen aan post-pubers voor wie dat allemaal niet per se hoeft, onderwijs. Liever blijven zij na het ontwaken in bed liggen wachten tot het weer tijd wordt om te gaan slapen.

Deze week was dat anders. Ik sjokte af en toe naar het toilet, maar het grootste gedeelte van de tijd hield ik mijn bureaustoel warm en staarde met de steeds slinkende moed der wanhoop naar de vier beeldschermen die ik voor mijn neus had. Als een volleerd crisismanager probeerde ik de onophoudelijke stroom aan mails, apps en telefoontjes, die onvermijdelijk komen kijken bij het onderwijs op afstand, te beteugelen. Naar mate mijn scheurkalender dunner werd, lukte dat dus beter, maar steeds bleef het een opgave. In de afgelopen jaren had ik namelijk het werk en privé strikt gescheiden gehouden (een acrobaat gaat thuis toch ook niet aan de kroonluchter hangen, zo beredeneerde ik), maar door de steeds aangescherpte maatregelen zat er niets anders op dan die harde grenslijn met grof geweld te doorboren. Ik bouwde mijn woonkamer om tot leslokaal en sprak tot de webcam totdat mijn mond er droog van werd. Nog nooit raakte de batterij van mijn telefoon zó snel leeg. Ik verwarde mijn vriendin tot drie keer toe met een student. Het notitieblok waar ik een planning op had gekrabbeld, brak door het intensieve gebruik in tweeën. Dat alles gebeurde, maar ik zag, samen met mijn docentgenoten, dat het goed was.

Als het geen enorm cliché was, zou ik beweren dat ik moe maar voldaan ben na deze eerste week. Trots bovendien, op de transformatie die mijn school in luttele dagen heeft ondergaan. Van les in de naar schimmelende boterhammen ruikende lokalen naar les in bed. Dat bed, dat heerlijke, schandalig donszachte bed, waar ook ik voor de verandering morgen, op zondag, na het ontwaken in zal blijven liggen wachten tot het weer donker wordt.

Terug