23 april


Er is één plek op de wereld waar het coronavirus niet bestaat, en tot mijn grote vreugde mag ik daar de nodige uren van mijn leven verspillen aan eindeloos gelanterfant. Ik heb het over het grote volkstuinencomplex, niet ver van ons huis in Sittard. Sinds drie jaar huren Lisa en ik er een lap grond van maar liefst tweehonderd vierkante meter, die Lisa jaarlijks ombouwt tot ons eigen Hof van Eden, het paradijs op aarde, waar niet de mens maar kleur- en geurrijke bloemetjes en plantjes met zachtzoete hand regeren. Tot mijn grote vreugde is mij, vanwege mijn haast ongeloofwaardige onhandigheid als het op tuinieren aankomt, een plek op het door de werkelijk alleskunnende Lisa zelf aangelegde terras toegewezen, waarvandaan ik telkens bewonderend toekijk en aanmoedigende kreten de zwoele tuin in katapulteer. Ik neem nog een slok van het glas dat voor me staat en word haast jaloers op mezelf.

In het volkstuinencomplex zijn geen virusremmende maatregelen getroffen, want dat was niet nodig. Vanwege de overweldigende grootte van de tuinen leefde iedereen reeds op meer dan anderhalve afstand van elkaar. Complimenten over elkaars hovenierskwaliteiten worden vanuit de eigen tuin aan de ander medegedeeld, en doordat het complex vrij is van stadse geluidsvervuiling van ronkende motoren, jankende honden en schreiende kinderen, kan iedereen vanuit de eigen tuin met elkaar communiceren zonder te hoeven schreeuwen. Het is bovendien een van de weinige plekken waar het bestaan niet stil ligt: de asperges blijven zich door de aarde een weg naar het zonlicht banen en het onkruid doet, ook als vanouds overal en nergens, tegelijkertijd hetzelfde.

Er is kortom, in verwarrende tijden als deze, geen plek zozeer de oude als de volkstuin. Ik klap de laptop dicht en ga op weg. Zodra Lisa en ik de grote, krakende poort openduwen, stappen we hand in hand het vertrouwde verleden in.

Terug