23 maart

Ik vermoed reeds te weten waarover mijn dagboeknotitie van morgen gaat. De dreiging van een lockdown, een anglicisme waar tot mijn grote droefenis geen gepast Nederlands equivalent voor bestaat, hangt sinds een paar dagen namelijk groots en dreigend boven onze hoofden. Het zou me niets verbazen, sterker nog: ik zou het een prima idee vinden als de regering vandaag besluit ons, domme, domme Nederlanders, vanaf morgen verplicht in onze eigen huizen op te hokken. Inderdaad, u leest het goed: domme Nederlanders. Dit weekend werd namelijk duidelijk dat ‘ja, maar’ alles is wat wij roepen kunnen. ‘Ja, maar het weer is zo mooi.’ ‘Ja, maar anderhalve meter is wel echt belachelijk ver.’ ‘Ja, maar van één high-five gaat niemand dood.’ ‘Ja, maar ik moet écht, écht-écht naar mijn werk.’ Ordinair plezier en bureaucratie gaan blijkbaar boven de gruwelijkheid van de eenzame, pijnlijke verstikkingsdood.

Wij zijn een anti-elitair volk en daar zijn we nog trots op ook. Wie ons meent op te kunnen dragen wat we wel en niet mogen, wie tegen ons zegt dat onze eigen kust verboden terrein is, wie ons verbiedt een potje te voetballen in de lichte lentezon, kan heel gauw opsodemieteren en de vlekkentyfus krijgen. Hier, een ferme, gore handdruk als opgeheven middelvinger in je lelijke kuilengezicht. Wij Nederlanders hebben de onhebbelijke behoefte ten stelligste dingen te beweren waar we allesbehalve verstand van hebben, maar dat deert niet want wat wij zeggen is vrijheid van meningsuiting. Dat die vrijheid van meningsuiting voor ons alleen opgaat als je de juiste mening bent toebedeeld, doet niet ter zake.

Van ganser harte hoop ik dat die lockdown er snel komt. Iedereen blijft dan verplicht binnen om te voorkomen dat opa en oma hun laatste zuurstof moeten vissen uit een lege vijver. Plezier maken doen we wel een andere keer. Genieten van de zon kan ook in de achtertuin of op het balkon.
Wie toch onnodig de straat op gaat, wordt onherroepelijk veroordeeld. Daar kan geen ‘ja maar’ tegenop.

Terug