23 mei


Of het aan mijn immer stralende stadje Sittard ligt weet ik niet, maar sinds ons van overheidswege beperkingen zijn opgelegd, lijkt de aard van de mensheid verzacht. Als ik over straat loop en ik passeer, onhandig trachtend de anderhalve meter in acht te nemen, een tegenligger, dan vliegt zijn glimlach me om de oren als nooit tevoren. Als ik een halfje brood bij de bakker haal, krijg ik daar een portie hartverwarmende vriendelijkheid bij cadeau. Ik moet de thuisloze alcoholist, die ik altijd op het bankje in het park zie liggen terwijl in zijn hand een blikje huismerkbier bungelt, ontwijken omdat hij me, waarschijnlijk uit bepaalde eenzaamheidsoverwegingen, wil omhelzen.
Dat laatste was overigens vóór de coronacrisis niet anders.

Ellende verbroedert, zoveel mag hoe dan ook wel duidelijk zijn. Het is van harte te hopen dat die samenlevingsharmonie blijft voortbestaan als we allemaal een spuitje hebben gehad en weer naar eigen goeddunken mogen ronddartelen op onze dwaze wereldbolletje. Daarover ben ik echter – het zou eens anders – somber gestemd. Van de overweldigende saamhorig die na de Tweede Wereldoorlog door de kapotgeschoten straten walmde, is uiteindelijk namelijk ook niet veel overeind gebleven. Sterker nog: in de jaren na de oorlog stond men elkaar nog meer naar het leven dan daarvoor, en tot op de dag van vandaag stort men elkaar nietsontziend in de ene oorlog na de andere.

Maar goed. Het was een mooie week, de zon heeft onze huiden volop gebruind – dus laten we hem ook positief afsluiten. Of de genegenheid standhoudt, hangt natuurlijk ook van mij af. Alhoewel ‘aardig doen’ waarschijnlijk alleen iets is voor de mensen die het van nature niet zijn, geniet ik zo lang het nog kan van de welgemeende vriendelijkheidsknikjes die ik krijg van onbekenden, en zal ik onbezoldigd strooien met de mijne alsof het pepernoten in december zijn.

Terug