24 april


In de ene hand had ik een pond gekruid gemengd gehakt en in de andere een tros bananen. Om me heen voerden supermarktbezoekers in maanpakken experimentele choreografieën uit om koste wat kost uit elkaars buurt te blijven, en ik voelde het opkomen. God sta me bij, schoot het door me heen. Niet hier. Niet nu. Panisch keek ik om me heen, zocht naar iets wat me uit mijn lijden kon verlossen – maar dat bleek natuurlijk tevergeefs. Zoals altijd had ik mijn wereldproblemen zelf op te lossen: de lichte kriebel in mijn neus verdween niet vanzelf.

Het was niet voor het eerst dat een niesschaamte zich in coronatijden aan me openbaarde. In de eerste week van de intelligente lockdown, de angst voor het virus was groter dan ooit, maakte ik een wandeling door een woonwijk. Ik passeerde een meisje van een jaar of tien dat een jongetje van de helft van haar leeftijd aan de hand meevoerde. Ook toen kon ik een natuurlijke neiging niet bedwingen en nieste ik voluit, waarop de beide kinderen terstond begonnen te huilen en zich rennend van me verwijderden. Verdwaasd bleef ik achter.

Terwijl in de supermarkt de aandrang om uit mijn mond en neus te blaffen almaar heviger werd, zocht ik naar een verlaten hoekje, dat ik niet vond. O jee, daar draaiden mijn ogen zich al naar elkaar, het vermaledijde voorstadium van de niet te stoppen nies. Snel mieterde ik het gehakt en de bananen in de winkelkar. Mijn ogen draaiden zich naar elkaar sloten daarna. Ik nam een diepe ademteug, bracht mijn elleboog naar mijn mond en zette me schrap. Een zoveelste publiekelijke afgang was onvermijdelijk.

Terug