25 april


Haast nog sterker dan met alle IC-verpleegkundigen en ander zorgpersoneel, ben ik in deze tijden begaan met hen die zich hebben voortgeplant. Het geweeklaag van de ouders is dan ook alomtegenwoordig, ‘de kinderen’ en de loden last die zij veroorzaken is het enige gespreksonderwerp dat ouders na deze weken begrijpelijkerwijs nog aan kunnen roeren.

Zoals ik al eens vaker aangaf, hoef ik vooralsnog geen kinderen – ik heb mijn handen reeds vol aan mijn twee katten. In de loop van de jaren hebben ze het karakter van hun baasje overgenomen: bij de minste of geringste verstoring van de lieve vrede sprinten ze, met van angst vergrote pupillen, zo vlug mogelijk weg. Het zijn bangeschijters, helaas voor Lisa en mij in de meest letterlijke zin van het woord. Toen Lisa namelijk gisteren besloot de trap te schuren en er een donderend geraas door het huis klonk, sprintten beide katten naar de zolder. Daar verstoppen ze zich steeds, ongrijpbaar achter een berg dozen met prullaria.
Toen ik een uurtje na het schuren de trap naar zolder besteeg om de was op te vouwen, sloeg een messcherpe, doordringende strontlucht me zo hard om de oren dat de werkelijkheid begon te tollen. Ik riep Lisa naar boven, en op onze knieën zochten we sniffend en snuffend naar de herkomst van de onfrisse odeur. Al snel vonden we, jawel, achter de dozen met prullaria, een uitgesmeerde plas diarree. Dat uitgerekend dáár één van onze katten de darmen moest legen – het kon er allemaal ook nog wel bij.
Alsof ik zojuist in mijn rug was gemitrailleerd viel ik achterover en sleepte mezelf naar het wasrek. Ik trok het eerste beste kledingstuk - een onderbroek – ervan af en drukte die tegen mijn gezicht. Dat de strontlucht zich nu vermengde met de geur van frisse lentebloemetjes, verlichtte de ellende enigszins.
‘Ik haal schoonmaakspullen,’ schreeuwde ik alsof ik in een militaire operatie was beland, zodat ik me vlug uit de oorlogslucht kon verwijderen. Bovendien hoopte ik dat als ik de spullen bij terugkomst aan Lisa zou geven, zij aan het schrobwerk zou beginnen en ik, van een behoorlijke afstand welteverstaan, kon toekijken.
Terwijl ik, met de onderbroek nog altijd stevig tegen mijn gezicht gedrukt, mijn laatste krachten inzette om de trap af te stommelen, wist ik het zeker: die kinderen, die wachten voorlopig nog maar even lekker tussen mijn benen.

Terug