26 april


Nooit eerder was ik zo bang als in de dagen in aanloop naar 21 december 2012, de dag waarop volgens berekeningen van de Maya-kalender de wereld zou vergaan. Ergens, in een stoffige lade van een vergeten bureau op de zolderkamer van mijn brein, nestelde het besef dat ik op 22 december gewoon weer wakker zou worden in een wereld die niet noodzakelijkerwijs ellendiger was dan daarvoor, maar gevoed door de vele complottheorieën op televisie en internet was ik er langzaam zeker van geworden dat het tijd was voor een afscheidsgroet aan de wereld.

Ik stelde me de ondergang van ons bestaan niet snel en pijnloos voor. Geen grote boem: daar zouden we te gemakkelijk mee wegkomen. Nee, we zouden in een grote crisis raken die de mensheid langzaam en pijnlijk zou verteren. Een razendsnel muterend virus bijvoorbeeld, schoot het door me heen, zoiets moest het zijn. Alle vertrouwde instanties zouden als dominosteentjes omkukelen. Geen wetenschapper zou het virus kunnen stoppen. Eerst moesten we de ouderen uitzwaaien, dan de kinderen, en ten slotte iedereen er tussenin en onszelf. Ik was er zeker van: mijn achttiende verjaardag zou ik nooit vieren – en daar had ik me bij neergelegd. Het was mooi geweest, vond ik. Kort weliswaar, maar mooi.

Op 21 december 2012 werd ik, badend in mijn eigen angstzweet, wakker. De hele dag verstopte ik mezelf op mijn kamer, in dezelfde illusie waarin kleine kinderen leven: zolang ik jou niet kan zien, ben ik ook onzichtbaar voor jou. Elke minuut leek een uur te duren, maar ook op die dag tikte de klok voort en uiteindelijk brak de avond aan. Ik wachtte tot het twaalf uur was en schoof toen het gordijn voorzichtig opzij. Afgezien van het konijnenhok in de achtertuin van mijn buurvrouw, dat naar een andere hoek was verplaatst, leek er niets veranderd. Geen virus. Gelukzalig zeeg ik neer op bed en vrijwel meteen zakte ik in een lange, diepe slaap, waaruit ik uren later ontwaakte als nooit tevoren. Een tintelende levenszin had zich van me meester gemaakt: ik kon mijn leven weer hervatten.

Nu, ruim zeven jaar later, word ik elke dag wakker in een wereld die op veel meer plekken van de vorige verschilt dan de plaats van een konijnenhok in de achtertuin van de buurvrouw. De angst voor en de dreiging van een verwoestend virus zijn reëel – maar we zetten de eerste stappen op de lange terugweg, die als eindbestemming de dag heeft die de boeken in zal gaan als die waarop het leven eindelijk weer begint. Ik kijk er reikhalzend naar uit.

Terug