26 maart

Gisteren was de dag waarop ik normaal gesproken gulzig confetti strooi en de woonkamer versier met goedkope plastic vlaggetjes. Het was de telkens terugkerende mooiste dag van de maand, waarop ik het idee heb dat de flappen in dusdanige volumes het huis binnensijpelen dat ik ze wegens plaatsgebrek maar achter de plinten moet beginnen te duwen.
De 25e, de Heilige Dag waarop het salaris wordt gestort.

In andere maanden weet ik niet hoe snel ik het geld moet verbrassen aan dingen die ik niet nodig heb. De supermarkt, op die dag voor mij dé plebs-plaats bij uitstek, laat ik links liggen. Ik ga naar de slager en koop te veel van de sappigste biefstuk, vervolg mijn rondje naar de bakker om daar exclusief gebak te kopen, niet om iets te vieren maar gewoon omdat het kan, en als me op de terugweg naar huis wordt gevraagd of ik een donatie wil doen voor de arme koolhydraatarme kindertjes in Kameroen, geef ik met een gulle lach mijn rekeningnummer door. Het besef dat ik op de 26e steevast wakker word met een financiële kater, verdruk ik vrolijk naar de achtergrond.

Gisteren was anders. ’s Ochtends checkte ik mijn rekening. Ik kon een kleine glimlach niet onderdrukken, maar die verdween al vlug toen ik bedacht dat het geen tijd is voor dure biefstukken en chique gebak. Het is een tijd waarin we maar beter normaal kunnen doen, want de wereld is al dol genoeg. Daarom wandelde ik na het ontwaken naar de supermarkt, kocht daar twee Bossche bollen en at die, bij wijze van ontbijt, onbeschaamd samen met Lisa op. We lachten om de gruwelijke, mensonterende aanslag die de slagroom pleegde op onze gezichten.
Buiten verdreef de ochtendzon de kou. Het beloofde toch een mooie dag te worden.

Terug