27 maart

De wereld kon wel honderd keer in de fik staan, de badkamer en het toilet ging ik echt niet zelf schoonmaken. Daarom tikten mijn vingers in recordtempo een smeekbede aan de patroonheilige van ons Sittardse huishouden, met de vriendelijke doch dwingende verzoek of ze alsje, alsje, alsjeblieft de gebruikelijke twee uurtjes wilde komen poetsen. De verstikkende gedachte dat ik zelf, godbetert vanwege corona, op mijn eigen lieve knietjes, met in mijn handen een basismerkschuursponsje, mijn tegelvloer moest gaan boenen, verlamde me.
‘Maar natuurlijk,’ antwoordde ze sneller dan het licht, ‘als jullie allebei niet snotteren en als we de gebruikelijke richtlijnen in acht nemen, kom ik graag.’

Mijn hart maakte een elegante, dubbele pirouette. Een verwend nest ben ik allesbehalve, ik dop mijn boontjes gaarne zelf, maar aan het uitschrobben van het ligbad en het strijken van mijn overhemden heb ik in de loop van de jaren zo’n overweldigende hekel gekregen dat ik Lisa twee jaar geleden min of meer dwong samen met mij op zoek te gaan naar een huishoudelijke hulp, die we na een korte sollicitatieronde van één kandidate al snel vonden. Ze bleek goud waard, zowel vanwege haar opgeruimde aard als opgeruimde karakter.

Terwijl ik mijn broodje met hagelslag gedienstig naar binnen werkte, hoorde ik de sleutel in de voordeur morrelen. ‘Goedemiddag,’ zei ze toen binnenviel met in haar handen haar eigen instrumentarium, kernwapens om het stof en het vuil mee te verdelgen.
‘Goedemiddag,’ zei ik met een half vermalen hap brood in mijn mond, ‘wat fijn dat je er bent. Niet ziek?’ Het was een onzinnige vraag, maar toch. ‘Nee,’ zei ze. ‘Ik blaak van gezondheid.’ Ze pakte haar tas uit, meermaals hadden we aangegeven dat ze gerust ons poetsarsenaal mocht gebruiken maar nee, ze zweerde bij haar eigen spullen. En al zéker nee: daar hoefden we niet extra voor te betalen.
‘Als je me nodig hebt,’ zei ik, en wees naar boven, ‘dan zit ik op mijn studeerkamer te werken.’
‘Zal wel goedkomen,’ zei ze met een glimlach, en trok dikke gele schoonmaakhandschoenen aan die ik niet eerder had gezien. ‘Maar voor nu geldt wel,’ vervolgde ze met een vergoelijkende glimlach, alsof ik het ooit zou afkeuren, ‘veiligheid gaat voor alles.’

Terug