28 april


Dit dagboek is, naast als oefening in schrijfvaardigheid en staalharde discipline, ook bedoeld om later terug te kunnen zien hoe ik me, tijdens die malle maanden in 2020, staande probeerde te houden in een vlug afbrokkelende wereld. Later kan ik dan lezen dat dat vandaag, op 28 april, wat minder lukte, omdat de opeenvolging van de ene lege dag na de andere me aardig tegen de borst begon te stuiten. Tijdens de eerste week van ons huisarrest probeerden Lisa en ik nog krampachtig om elke dag iets memorabels te ondernemen, maar dat gaven we al snel moegestreden op. Als ik nu terugkijk op de afgelopen anderhalve maand, zie ik een dikke, grijszwarte mist van uitgeholde vraagtekens. Na de ene dag kwam de andere, die weer werd opgevolgd door nog een andere. Daarna kwam er weer een dag, en dan nog een, en nog een en nog een – allemaal even herinneringsloos. Wij trainden onze zitspieren en wachtten op iets dat we niet zouden herkennen als het voor ons stond – daar kwam het op neer.

Ten onrechte schrijf ik hierboven in de verleden tijd, want de strijd tegen het Niets is nog lang niet gestreden. Nu, in de normaal gesproken zo welkome meivakantie, moet ik nog zwaarder geschut inzetten tegen de strijd tegen de ondraaglijke leegheid van het coronabestaan. Er zijn momenten dat ik van lieverlee maar naar de fles grijp om nog kans te maken op iets onvergetelijks – maar met te veel drank, zou ook die herinnering weer vervliegen. Daarom kies ik vaker voor de veilige weg: ik schrijf alle kleinigheden maar op in dit dagboek, zodat ik later nog eens kan terugkijken op die malle, malle maanden in 2020.

Terug