29 april


Het heeft geen enkele zin er omheen te draaien, dus ik schrijf het maar gewoon op zoals het is: Lisa en ik zijn stout geweest. Voor één keer sloegen wij de regeringsadviezen om het huis alleen bij de bitterste noodzaak te verlaten in de wind. Omdat het verdriet en de angst van de eerste periode langzaam plaatsmaken voor sluimerende irritatie over het almaar binnen zitten, slopen Lisa en ik gistermiddag zo ongezien mogelijk het huis uit, de auto in. Ik voelde me een puber die, ondanks het huisarrest dat zijn ouders hem hebben opgelegd, uit pure recalcitrantie via het raam, langs de regenpijp, naar buiten klimt.
‘Rijden!’ riep ik haar toe alsof we in een actiefilm verzeild waren geraakt en de kogels ons om de oren vlogen, ‘rijden, rijden!’ Lisa reed, en toen we na een tijdje op de grote weg waren, keek ze me kort aan.
‘Waar gaan we eigenlijk naartoe?’ vroeg ze, en ik kon niet anders dan lachen om haar aandoenlijke naïviteit. Ik draaide het raampje open en voelde de koele vrijheid door mijn haren wapperen. ‘Nergens natuurlijk!’ riep ik om boven het geraas van de wind uit te komen, ‘Nergens naartoe, want we kunnen nergens heen!’ Het was de loden waarheid: samen met ons huis is de hele aardkloot een gevangenis geworden. Omdat het om de reis en niet om de bestemming ging, besloten we steeds bij de splitsing die zich als eerste aandiende naar links te gaan, bij de volgende weer naar rechts, dan weer links, enzovoorts. De ontsnapping bracht ons, op veelal verder onbereden asfalt, langs nooit eerder geziene dorpjes en straten in steden die voorlopig in mijn geheugen zijn gegrift.

Heel stilletjes, zodat papa en mama ons niet zouden horen, parkeerden we de auto ruim twee uur later weer voor onze voordeur. We trippelden naar binnen, waar we op de bank voldaan uitrustten van het kleine beetje vrijheid waar we aan hadden mogen ruiken. Onberoerd liet de tocht me blijkbaar niet: vannacht droomde ik van gelukzalig volle terrasjes in de vroege zomerzon.

Terug