29 maart

Een zondagsere zondagochtend dan vandaag is ondenkbaar. Na het wakker worden glijden Lisa ik op de bank en we staren met de korrels nacht nog in onze ogen naar de televisie, zonder te zien of te horen wat de presentatoren vertellen. Dat doen wij totdat de bel gaat, een klingelingeling uit lang vergeten tijden van bezoek en gezelligheid.
Natuurlijk louter om de plaatselijke middenstand een hart onder de riem te steken en allesbehalve vanwege gemakzucht of andere millennialsentimenten, bestelden we gisterenmiddag een ontbijt bij een van onze allerliefste lievelingsrestaurants, die gekke bokkensprongen is gaan maken in ijdele hoop daarmee te ontkomen aan de financiële strop die alle horeca boven het hoofd hangt. Lisa springt op en trippelt naar de voordeur, die zij gedurende enkele seconden met alle macht probeert open te trekken, totdat ze zich realiseert dat de deur nog in het nachtslot zit. Het gebeurt blijkbaar de besten: de honger was haar even de baas. Terwijl ik een tweetal borden uit de kast pak en zonder te kijken in de bestekla graai, hoor ik dat Lisa de deur opent en hoe de bezorger haar instructies geeft. ‘Ik zet het hier neer,’ hoor ik gedempt, ‘dan doe ik een stap naar achteren en dan kunt u uw ontbijt pakken.’

Een harde, doffe klap in mijn gezicht. Voor het eerst in tijden was ik het vergeten. Corona. Verstikkingsgevaar. Ouderen die massaal sterven op de intensive care.
Ik heb de draai van 180 graden die de wereld een paar weken geleden maakte, blijkbaar zo geïnternaliseerd dat het me haast niet meer opvalt dat wie roept op straat een echo hoort, dat talkshows zielloos zonder publiek moeten worden opgenomen, dat het Lisa en mij verboden is samen boodschappen te doen, dat op handen schudden de doodstraf staat. De mens schikt zich blijkbaar razendsnel naar de werkelijkheid, hoe gruwelijk die ook mag zijn.

Met een grote kartonnen doos in haar handen staart Lisa me glunderend aan. ‘Het ontbijt,’ zegt ze. ‘En het is echt een hele, héle zware doos! Broodjes en yoghurt, en volgens mij ook verse jus!’
Alle ellende went dus na verloop van tijd, bedenk ik. Alle ellende went, maar het mooie gelukkig nooit.

Terug