2 april

Ik was bijna klaar met het maken van een zomerstamppot met spinazie en tomaat, toen ik het hoorde via de podcast die schel door de keuken schalde. Een kwetsbaar articulerende intensivist vertelde over zijn werk op een intensive care, dat altijd al hectisch was, maar nu tot een Olympische discipline was verheven. Het lukte de interviewer zijn vinger op de zere plek te leggen. ‘Raakt het u ook emotioneel?’ vroeg hij, en uiteraard beaamde de man dat. Ik goot de aardappels af en de arts vertelde dat hij en zijn collega’s stervenden normaliter een arm om de schouder leggen, niet alleen ter verzachting van het lot dat hen te wachten staat maar ook om overweg te kunnen met de eigen emoties. Maar ja: bij coronapatiënten zou dat ondanks de bescherming van mondkapje en maanlandingskostuum een onverantwoord risico met zich meebrengen. Hij moest zijn collega’s soms echt dwingen mensen met doodsangst als laatste emotie in hun ogen niet te troosten.
‘En lukt u dat?’ vroeg de interviewer droog terwijl ik de iets kruimige aardappels tot puree probeerde te drukken. Dat was nog een hele opgave, ik had ze te kort gekookt. Verdomme, mimede ik.
‘Het is lastig,’ antwoordde de arts murmelend, en ging over op een ander onderwerp.

Ik wist genoeg. Wat maakte ik mezelf ook wijs? Die zomerstamppot met spinazie en tomaat kon me gestolen worden. Ik schoof de pan met halfgepureerde aardappelen van me af, wandelde de keuken uit en zakte op een stoel. Als plots een sportverslaggever voor mijn neus was verschenen met de immer verheffende vraag ‘wat er door mij heen ging’, zou ik die vraag niet kunnen beantwoorden. Was het de ultieme triestheid die me overviel bij de gedachte aan het duivelse dilemma dat medewerkers op de intensive care dagelijks moeten maken? Troosten of alleen laten sterven? Of voelde ik me eerder toch licht, vanwege het vertrouwen in de innerlijke goedheid van mensheid dat plots was wedergekeerd? Ondanks een levensgroot risico op ziekte en bederf toch willen troosten, en dat dwars door de Onververstandigheid heen soms toch maar gewoon doen. Ik wist het werkelijk niet.

‘Is het eten nog niet klaar?’ vroeg Lisa toen ze de trap af was gekomen. ‘Ik heb best wel een beetje honger.’

Terug