2 mei


De smaak van rubberhandschoen was nog nooit zó goed. De opwindende vrijheid die door mijn aderen stroomt, maakt dat ik met een grote grijns van onoverwinnelijkheid in de tandartsstoel lig. Het is de eerste keer in lange, lange tijd dat ik een afspraak buitenshuis heb, en ik voel me op een vreemde manier trots. Het is alsof ik de eerste keer zelfstandig naar school mag fietsen. Het liefst zou ik zometeen een selfie met de tandarts maken en die op alle online kanalen delen, zodat ik er al mijn vrienden en kennissen de ogen mee kan uitsteken. Hé jullie, thuis op de bank! Kijk mij eens, in de tandartsstoel!
Lisa, die anderhalve maand geleden van opluchting en blijdschap begon te huilen toen de tandarts meldde dat reguliere controles voor onbepaalde tijd werden geannuleerd, staat van een afstandje toe te kijken. Toen we vorige week werden gebeld dat we weer mochten komen, sprongen de tranen haar nogmaals in de ogen, maar deze keer van angst. Haar mond is zojuist al geïnspecteerd, en gezond bevonden. Ze lag daar in de stoel als een klein, bang meisje op de operatietafel, maar dat zag alleen ik. Ze hield zich kranig.
In tegenstelling tot die van haar, knikten mijn knieën niet toen ik aan de beurt was. Ik werd enkel overdonderd door onversneden euforie. Gretig spoelde ik mijn mond met een dentale desinfectant, liet mezelf met de stoel naar beneden zakken en maakte het mezelf gemakkelijk. Toen ik mijn ogen sloot, dacht ik: net als vroeger.
‘Hmm,’ zegt de tandarts terwijl hij in mijn eetgat koekeloert, en ‘jaja’ en ‘zozo’. Dan zegt hij: ‘Alleen wat tandsteen, verder niets. Goed gepoetst.’
Ik lig nog altijd met gesloten ogen op de stoel en hoor zijn instrumentarium rammelen. Hij mompelt iets en begint plots in mijn mond te beitelen. Het doet pijn, maar dat deert niet. Ik ben niet uit mijn Utopia te slaan.

Even later doorbreekt de tandarts mijn fata morgana door de stoel weer rechtop te zetten. ‘Zo,’ zegt de tandarts terwijl hij mijn mondholte inspecteert, ‘even naspoelen met water, en dan was ‘m dat alweer. Tot over een half jaar maar weer.’ Haast beledigd kijk ik hem aan. Dat was het alweer? Hoezo? Het was veel te kort! ‘Nog een keer!’ wil ik roepen alsof het om een rondje in een prachtig antieke, dubbeldekse carrousel gaat. ‘Nog een keer! Nog een keer!’

Terug