30 april


Tergend langzaam kruipt Nederland uit de coronahoudgreep. Na de meivakantie mogen de allerkleinsten al op begeleid proefverlof, en in de loop van de komende weken en maanden zal ook de rest van het land waarschijnlijk weer wat ademruimte krijgen.
Houd u vast, aan de stoel, aan elkaar (als u tenminste huisgenoten bent), want we komen aan bij de ongemakkelijke doch onontkoombare boodschap van dit stuk. Komt ‘ie:
De virusremmende maatregelen worden afgeschaald – en daarmee de verschijningsfrequentie van dit dagboek ook.

Vanaf heden schroef ik het aantal stukken van zeven keer per week namelijk terug naar drie. Niet meer elke dag een coronadagboeknotitie dus, maar drie keer per week op maandag, woensdag en zaterdag. Dat doe ik niet alleen om de hierboven beschreven reden, maar ook zodat ik nog meer aandacht kan vestigen op het verhaal waar ik in dit dagboek al eerder over berichtte (u weet wel, het verhaal waar ik reeds een jaar mee worstel en dat wellicht eventueel, als het even lukt en als het me gegeven is, potentieel in het meest optimistische geval, misschien wel ooit, mogelijkerwijs een boek wordt). Dat begint namelijk verbazingwekkend stabiele vormen aan te nemen, en het voornemen om voor de start van het nieuwe schooljaar een eerste, ruwe versie af te hebben, dringt zich vanuit de schimmige verte aan me op.

Aan animo voor dit dagboek in elk geval geen gebrek: zelden kreeg ik zo overweldigend veel positieve reacties op schrijfwerk als in de afgelopen weken, waarvoor veel dank. Dat doet goed.

Zo. U kunt de stoel of elkaar weer loslaten: tot zover de donderdag. Zaterdagochtend meld ik mij opnieuw.

Terug