30 mei


De volstrekte abnormaliteit spat van de wereld, maar Lisa en ik genieten onbezoldigd, alsof de wereld niet aan doffe ellende ten onder gaat. De zon schijnt onze benen bruin en het enige geluid dat onze gehoorgangen binnen golft, is een mix van het zachte geritsel van de bladeren om ons heen en de voorzichtig verrukte kreetjes die we slaken tijdens het smakken.

In een van de vele verborgen tuinen midden in het centrum van Sittard genieten Lisa en ik voor het eerst in lange, lange tijd van wat we onze gemeenschappelijke passie noemen: buiten de deur eten. Uiteraard werd in de afgelopen periode het nodige voedsel voor onze deur gekwakt, maar dat moesten we dan nog steeds met ons eigen bestek, gezeten aan onze eigen tafel opeten. Zojuist echter haalden we een lunch met verse koffie af, die we nu woordeloos verorberen in het meest serene stilzwijgen sinds tijden. Ik kijk van Lisa naar mijn broodje en weer terug naar Lisa, en zie dat het goed is zo.

Gezien mijn betrekkelijk sombere inborst zijn er weinig momenten dat ik, jubelend van vreugd, door de straten huppel terwijl ik over alles en iedereen welriekende rozenblaadjes uitstort, maar zelden zat ik daar zo dicht tegenaan als nu op dit bankje, terwijl een klodder broodjessaus van mijn mond op mijn hemd drupt en de wereld zachtjes, licht piepend draait als een antieke carrousel op een kermis vol vrolijke kinderen.

Terug