4 mei


In veel voorgaande jaren werd ik tijdens Dodenherdenking gevraagd een voordracht te houden, waarin ik in fraaie bewoordingen de mensheid in het algemeen en mijn generatie in het bijzonder diende te doordringen van het belang van twee doodstille minuten.
Dit jaar bleef mijn mailbox leeg. Als de kerkklok vanavond acht keer slaat, sta ik niet met een natgeregend A4’tje tekst voor een handvol geïnteresseerden, maar zit ik thuis, achter het met papieren en boeken bezaaide bureau dat de afgelopen maanden mijn beste vriend is geworden. Het donkere hout en ik zullen dan onze ogen neerslaan en in diepe dankbaarheid terugdenken aan de mannen die wij nooit kenden, maar wiens dapperheid wij herkennen in het zorgpersoneel van vandaag.

Een van de boeken die op mijn bureau slingert is het dagboek van Anne Frank. Alhoewel ik in columns en verhalen vaak aan Het Achterhuis heb gerefereerd, heb ik het nooit integraal gelezen. Om die reden, en om deze weken toch actief aan mijn oorlogsbewustzijn te werken, sloeg ik het een paar dagen geleden open. Sneller dan verwacht werd ik meegesleept door Annes aandoenlijke muizenissen in een leven dat hoe langer hoe grimmiger werd. Ik las haar intieme aantekeningen, soms met een drukkend gevoel op de borst omdat ik de ongemakkelijke waarheid van het verleden ken, die voor haar nog een schimmige, ongewisse toekomst was. Alhoewel de vergelijking volkomen mank loopt en ik het niet in mijn botte kop zou willen halen de Tweede Wereldoorlog te vergelijken met iets futiels als de coronacrisis, dacht ik soms toch: ik herken me in sommige van haar frustraties. Ik herken mezelf in haar onstuitbare drang naar buiten te willen, en deel te nemen aan een gemoedelijk leven dat niet langer bestaat.

Er is mijns inziens geen andere manier mogelijk om deze dagboeknotitie af te sluiten dan met wat opgewekte woorden van Anne Frank zelf, opgetekend op donderdag 3 februari 1944:

‘Ik laat het er op aankomen en doe niets anders dan leren en op een goed einde hopen.’

Terug