6 april

Eerst was het nog wel lekker om tegen de laptopcamera te spreken. Anders dan voor een klas met dertig zuchtende studenten kon ik mijn verhaal houden, aan één stuk, zonder dat er de hele tijd door mij heen werd getetterd, gekakeld en gewauweld. Lessen waar ik op school zestig minuten voor uit moest trekken, waren nu in een kwartier gegeven. Ik uploadde mijn lessen in de digitale omgeving, beantwoordde vragen via de mail en klaar was ik.

Maar. De lol ging er vlug vanaf. Als ik al eens een grapje maakte, lachte de camera niet terug. Ik hoorde geen bijdehante, maar soms verrassend slimme opmerkingen meer over eigenlijk elk denkbaar onderwerp. Als Lisa om 17:00 vroeg hoe mijn dag was, kon ik niets spannends vertellen. Geen anekdotes die ik van de studenten hoorde, niemand die een gekke frats had uitgehaald. Ik realiseer het mij nu pas: dat waren nog eens tijden.

Dus nam ik voor alle klassen een videoles op waarin ik de lesstof links liet liggen, maar waarin ik iedereen op de hoogte stelde van bovenstaande gedachten. Toen ik, hortend en stotend, had gezegd wat ik wilde zeggen, was het tijd voor mijn slotwoord.
‘Allerbeste studenten,’ zei ik tegen het brandende lampje van de laptopcamera. ‘Ik hoop dat het jullie allemaal goed gaat, en nog veel meer hoop ik jullie over niet al te lang weer te zien. Samen kunnen we dan weer, in die muffe stinklokalen op school, gezellig aan de bak. En dan mogen jullie best eens door mij heen tetteren, kakelen of wauwelen. Stiekem verheug ik mij daar nu al op.’

Ik beëindigde de video. Het lampje sprong uit.

Terug