6 mei


In het precoronatijdperk vierden Lisa en ik elk klein momentje, zodat we een goed excuus hadden om uit eten te gaan. Was de tuin onkruidvrij gemaakt, dan moest dat gevierd worden met een gezellig etentje buitenshuis. Dat het weekend voor de deur stond, was eveneens vaak reden om erop uit te trekken. Had ik een prachtig boek gelezen – hup, vieren die handel: op naar het restaurant!

Deze week vieren Lisa en ik dat we een jaar in ons huis wonen. In een parallel, coronavrij universum is dat reden voor wel drie achtereenvolgende dagen restaurantbezoek, maar in dit leven kan dat helaas niet. Daarom bestelden we gisteren allebei een mixed grill bij een lokale voedseldealer en onder het genot van de nodige vettigheid blikte ik terug op een jaar geleden, toen we rijp waren voor het gesticht. In één week meivakantie verbouwden we ons huidige huis en verhuisden al onze spullen uit het appartementje dat vijf jaar lang als proefwoning dienst had gedaan.
‘Na die week kon ik geen stap meer zetten,’ zei ik nadat ik een korte samenvatting had gegeven van de meivakantie die zich voordeed als strafwerkkamp. De gedachte aan die vermoeidheid bracht me op het randje van de treurigheid. Onderwijl zoog ik het merg uit het botje van een sparerib.
Lisa was druk bezig met haar eten en leek niet echt naar mijn relaas te hebben geluisterd. Ze keek naar haar handen en bestudeerde mijn gezicht. ‘Zal ik anders even bestek pakken?’ vroeg ze, maar dat was een onzinnige vraag. Vanzelfsprekend niet. Ik zie tegen het moment op dat we ooit kinderen krijgen en we ze tafelmanieren bij moeten gaan brengen.
Ik hervatte gepassioneerd mijn verhaal over de liters bloed, zweet en tranen (veel tranen, héél véél tranen) die onze lichamen verlieten tijdens de verbouwing. Over de achterlijk lange dagen die we maakten. De eerste nacht in ons eigen huis sliepen we haast niet, maar zaagden en timmerden we vlijtig voort. Ik was ondertussen opgestaan en maakte zwaaiende bewegingen met mijn armen om mijn zware woorden kracht bij te zetten.
‘Toon,’ onderbrak Lisa me. ‘Zullen we anders gewoon genieten van het eten?’ Ik keek haar aan en kon niet peilen of mijn vertelsels haar verveelden, irriteerden of allebei. Omdat er ten slotte geen enkele andere emotie dan vrolijkheid bij een viering met niet-zelfgekookt eten hoort, koos ik eieren voor mijn geld en stemde toe.
‘Zeker,’ zei ik, en stopte nog een onbestemd stuk vlees in mijn mond.

Terug