8 april

‘Waarom,’ schreeuwhuilde de achterbuurvrouw met hoge, snelle piepstem, ‘gaat iedereen hier om het minste of geringste meteen huilen?!’
Lisa en ik zaten in de achtertuin. Ik las een boek, Lisa plantte zaadjes die onze tuin over een paar weken in een zachtgele gloed oase moeten gaan veranderen.
‘Het is, verdomme, altijd hetzelfde met jullie. AL-TIJD!’ In hun tuin klonk glasgerinkel.
Ze was nogal kwaad, de overbuurvrouw, zoveel was duidelijk. Ik begreep haar emoties goed, want ook mijn trommelvliezen waren de afgelopen dagen overprikkeld geraakt door haar twee kinderen. Het thuiszitten deed ze overduidelijk weinig goed. Ondanks lovenswaardige inspanning van hun ouders – zo zag ik vanuit ons slaapkamerraam dat ze een gigantisch opblaaskasteel in hun tuin hadden gezet en gisteren nog probeerden ze de gemoederen met een barbecue te bedaren. De eerste houtskoolaroma’s woeien al om vier uur onze tuin in, maar een half uur later, nadat ik een grote knal en hard kindergeschreeuw hoorde, was het weer gedaan met het vleesgrill-festijn. Lisa en ik hoorden hoe de barbecue met het nodige gekletterklater in de schuur werd geworpen, en lachten zo stil we konden in onze knuistjes.

Zelden zijn wij zo blij en opgelucht kinderloos te zijn als in deze tijden. Aan elkaar hebben wij onze handen vol genoeg. De gedachte dat we één of meer mini-varianten van Lisa of mij zouden hebben te handhaven, komt ons voor als een nachtmerrie waaruit niet te ontwaken valt. Liever dan met rivieren over de wangen tevergeefs pogingen te doen klein grut te temmen, zitten wij in de tuin en genieten wij van de zon op ons gezicht, de zachtgele gloed die eraan komt en van de buurvrouw, die met alle frustratie die ze in zich heeft godverdegodvert als nooit voorheen.

Terug