8 juni


Ik moest er dan toch aan geloven. Waar ik eerder, in het imperium dat in herinnering verder weg ligt dan in dagen, mijn mondkapje uit laffe angst anders te zijn in mijn jaszak had gelaten, kwam ik er nu niet meer onderuit. Vanaf 1 juni was het gebruik van gezichtsbescherming in het openbaar vervoer verplicht en aangezien die datum tot het verleden behoorde en ik genoodzaakt was met de bus te reizen, repeteerde ik de avond ervoor hoe ik het onding achter mijn oren moest bevestigen. Dat bleek nog lastiger dan verwacht, maar nadat ik het kapje eerst binnenstebuiten en toen ondersteboven op mijn gezicht had geplaatst, was het me met een instructievideo gelukt.
Ik zag eruit om serieus genomen te worden.

Met goede moed stapte ik daarom de dag nadien gemondkapt het huis uit, richting de bus. Door mijn oordopjes klonk rustige muziek, voor het geval er alsnog iets zou gebeuren dat mijn innerlijke rust ruw zou verstoren. Voordat ik de straat uit was, merkte ik al dat ik daar goed aan had gedaan: het zicht door mijn glazen verdween in drie ademteugen als sneeuw voor de zon. Door mijn eigen, door het kapje weerkaatsende adem, zag ik niets meer dan een wazige witte mist door mijn beslagen bril. Wandelend hanneste ik aan het stukje stof om een manier te vinden die me het zicht niet ontnam, maar alles tevergeefs. Terwijl ik nadacht over hoe mijn tandarts, die toch immers ook telkens zowel een mondkap als een bril droeg, door zijn werkende leven ging, begreep ik me dat me maar één ding te doen stond. Volksgezondheid boven het zicht van een gehoorzame doch klunzige enkeling: die bril moest af. Voor de veiligheid besloot ik daarmee te wachten tot ik bij de bushalte was.

Toen ik daar was aangekomen, zag ik in de verte de bus reeds aanrijden. Zoals met mezelf afgesproken was het tijd om in naam van het Nederlandse welzijn het scherpe zicht voorlopig vaarwel te zeggen, dus ik ademde diep en nam mijn bril bij het rechterpootje. Ik maakte de beweging die ik zo vaak maak om mijn bril af te doen, maar ik merkte dat dat nu niet goed lukte. Het pootje had zich verstrengeld met het elastiek van het mondkapje én de kabel van het oordopje, waardoor een knoop was ontstaan. Te hard aan mijn bril trekken zou het elastiek van het kapje doen scheuren – en ik had er maar één. De bus naderde, ik ontwaarde reeds de contouren van de chauffeur, de paniek groeide met de seconde exponentieel en ik zat nu echt goed in de knoop. Mijn oordopje bungelde aan het kapje en mijn bril stond scheef op mijn neus. Het slapstickgehalte van de onnozele situatie ontging ook mij niet, en daarom begon ik stom te lachen, samen met een paar mensen die spoedig medepassagier zouden zijn. Althans: als ik het voor elkaar kreeg mezelf te bevrijden uit de penibele situatie die ik zelf had veroorzaakt. Met een zwaar gepuf was de bus inmiddels gestopt voor de halte, en uit een blinde paniek die zich uitte in een giebelende zenuwlach, stapte ik maar gewoon de bus in. Mijn ov-chipkaart bliepte me welkom, en heel hard hopend dat ik geen bekende tegenkwam, deed ik alsof ik een nieuwe modetrend verspreidde, als metafoor voor de situatie waarin de wereld zich bevond.

Terug