9 mei


De sluiting van verpleeg- en verzorgingstehuizen voor naasten veroorzaakt een langgerekt leed. Om die pijn iets te verzachten, riep het verzorgingstehuis waar mijn oma almaar grijzer wordt een ‘babbelruit’ in het leven. Terwijl de bewoners binnen in een kantoor zitten, mag familie, aan andere kant van het raam, via de telefoon met de bewoners spreken. Zo’n weerzien mag, vanwege de vele aanvragen en de geringe beschikbaarheid van personeel dat bij het gesprek aanwezig is en blijft, niet langer dan twintig minuten duren. Zo kwam het dat ik deze week voor de eerste keer sinds de uitbraak van het virus in de heldere ogen van mijn oma keek.

‘Hoe is het ermee?’ vroeg ik, omdat ik geen betere manier kon bedenken om het ongemakkelijke gesprek te openen.
Mijn oma, als vanouds niet vies van een litertje spraakwater, haalde vanachter het glas haar schouders nonchalant op. ‘Ach,’ antwoordde ze, ‘het gaat wel,’ en barstte los in een op slechts sommige punten onsamenhangend verhaal, waaruit ik opmaakte dat het personeel de ouderen intensief bezighield met afwisselende activiteiten en dat ze, de dag daarvoor nog, tot onbetwiste jeu-de-bouleskoningin van haar afdeling was uitgeroepen.
Ik fronste mijn wenkbrauwen. ‘Ik wist helemaal niet dat u dat zo goed kon, jeu-de-boulen.’
‘Ik ook niet,’ zei ze, ‘maar ik gooide drie balletjes en kreeg een, kom, hoe heet zo’n ding?’ Ze draaide een rondje met haar beide wijsvingers.
‘Medaille,’ zei de verzorgster vergoelijkend, die de telefoon voor mijn oma’s mond hield.
Ik grinnikte. Mijn oma, de kampioen balletjes gooien voor senioren. Ik verkneukelde me bij de gedachte aan de aanblik die het toernooi geboden moet hebben: een stuk of tien verdwaasde en in zichzelf verdwaalde bejaarden met een onbestemde ballenset in de handen die ze, bij gebrek aan een beter idee en aangemoedigd door stagiaires achter mondkapjes, maar in de verte smeten. En, kijk aan: hoera! Een medaille voor meneer, een medaille voor mevrouw. Wellicht had het verzorgend personeel wel aan iedereen een medaille uitgereikt, bedacht ik hoopvol.
Maar naast het stiekeme leedvermaak overviel me ook een kleine treurnis over de beklemming dat ik daar niet bij mocht zijn, dat ik mijn oma niet mocht aanmoedigen en haar met een kus op de wang mocht feliciteren met haar overwinning. Dat ik haar zelfs niet kort in haar oude hand mocht knijpen.
Wat wel mocht, en wat ik dus ook maar deed: na twintig minuten mijn hand op het koude glas leggen. Mijn oma deed aan haar kant hetzelfde en met een kushandje namen wed daarna afscheid. Toen ik wegliep, zag ik hoe het glas grondig werd gedesinfecteerd.

Terug