Terug

Asociaal

Ik schreef al eens eerder over de mensen met wie ik mijn postcode deel. In niet mis te verstane maar toch met zachtheid overgoten bewoordingen (want: ik moest de mensen nog quasivriendelijk toeknikken in de supermarkt), schreef ik dat het voor mij met veruit de meeste mensen uit mijn straat een grote nachtmerrie zou zijn langer dan tien minuten in dezelfde ruimte te verkeren. Dat wil wat zeggen, als je in je achterhoofd houdt dat ik zelf toch een buitengewoon aimabel man ben die uit niets anders dan welgemeende mensenliefde bestaat.

Nu het koopcontract voor een ander huis is getekend, hoef ik echter geen schijn meer op te houden. Geen schijn, en ook geen schijt, want die kan ik nu eindelijk eens de vrije loop laten. Godverdomme zeg, wat leefden er een afgrijselijk asociale mensachtigen in de straat waarin Lisa en ik ons eerste appartementje bewoonden. Vaker dan op twee handen telbaar is, stond er politie aan de deur (of, zoals de eerste keer, midden in de nacht aan het slaapkamerraam) voor een buurtonderzoek omdat de ene of andere maniak met een keukenmes een soortgenoot tussen de nekwervels gemasseerd had of omdat iemand besloot dat chihuahua’s leuker blaffen als ze brandend door de straat rennen. Absoluut hoogtepunt was toen de man die het appartement naast het onze bewoonde, gillend over straat rende met een crème-brulée-brander in zijn handen terwijl hij zijn broek en onderbroek uittrok. Het duurde niet lang voordat hij weer eens werd opgepikt door een politiewagen. We hebben hem daarna nooit meer gezien, zijn huis werd door een verhuisbedrijf ontruimd.

Door al deze mensonterende ellende hebben Lisa en ik een trauma opgelopen dat ons hopelijk in ons eerste koophuis geen parten zal gaan spelen. We bespraken al dat we vanaf de dag dat we onze sleutel mogen ontvangen actief werken aan de band met onze buren, door bijvoorbeeld een appeltaart te bakken en die onder het genot van een kopje koffie of thee samen met de nieuwe straatgenoten op te eten.
‘En ongeacht of we die mensen aardig vinden of niet, we steken er moeite in,’ sprak Lisa me vermanend toe. Ik stemde als vanzelfsprekend in, want ik ben nu eenmaal een buitengewoon aimabel man die uit niets anders dan welgemeende mensenliefde bestaat. ‘Ik wil niet langer de enige stabiele factor zijn in de straat,’ voegde ze daar aan toe. Ook nu weer knikte ik. Gelijk had ze natuurlijk, we waren de enige niet volledig labielen in de wijde omtrek en dat moest eens afgelopen zijn. Dorst, mijn mond voelde droog. Terwijl ik opstond om uit de koelkast een frisse versnapering te nemen, klonk in de verte het oude vertrouwde geluid van een politiesirene. Ik keek Lisa aan, die deed of het geluid haar trommelvliezen niet in tweeën scheurde en rustig doorademde. Prima tactiek, besloot ik, en schonk een glas cola in dat ik in één teug achteroversloeg.



Terug