Terug

Blauw

Een jaar of zes geleden is het inmiddels alweer, dat ik mijn eerste boekje in eigen beheer uitbracht en presenteerde op een poëziemiddag in een smoezelig Sittards theater. Toen de organisatie van het theatertje me vroeg om ook wat gedichten voor te dragen had ik dat pretentieus geweigerd (‘want dat past niet binnen mijn toekomstbestendige auteursplan’), maar ik was toch gekomen op voorwaarde dat ik wat humoristisch bedoelde columns voor mocht lezen en dus, met champagne en al, mijn eerste bundeltje mocht promoten dat ik na mijn voordracht voor de schamele prijs van vier euro verkopen en signeren zou. Dat mocht; waarschijnlijk konden ze weinig andere gekken vinden die hun door de gemeente gesubsidieerde middag wilde bevolken. Mijn hele familie was die middag opgetrommeld en ik had zelfs een enkele klasgenoot overtuigd om mijn voordracht voor het verplichte culturele vormingsbezoek in te zetten, dus de ontvangsthal van het theater, waar de plechtigheid zou plaatsvinden, was afgeladen met volk dat een boekje van mij krijgen zou, en het niet hoefde te kopen (hoezeer zij daar ook toe aandrongen).

Nadat wat slaapverwekkende grijslingen hun trage poëzie hadden uitgebraakt, betrad ik het podium en met knikkende knieën vertelde ik wat mij zoal had beziggehouden. Ik schopte wat tegen de in mijn ogen laatdunkende literatuurelite (die ik een aantal jaren later overigens wenend van bewondering in de armen zou vallen) omdat ik vond dat dat van mij werd verwacht en ik presenteerde mijn boekje. Ik las het openingsstuk van mijn boekje Blauw als Gras voor, een verhaal over een bezoek aan vijftig prostituees in Amsterdam met een vriendengroep, waarbij één dikke dame vooraan leek te stikken in haar lach, wat mijn pril ontluikende zelfvertrouwen een aardige duw in de rug gaf.

Toen ik de dikke dame na mijn voordracht benaderde, in de eerste plaats om haar te bedanken voor haar gulle lach en daarnaast om haar vier euro af te troggelen in ruil voor mijn boekje, kon ik haar nergens vinden en daarom nam ik buiten op een bankje plaats. Daar zag ik haar plots, nog altijd luidkeels lachend. Omdat zoveel complimenten me nogal overweldigden stapte ik op haar toe met de eerder genoemde motieven. ‘Dankuwel,’ wilde ik zeggen, maar kwam niet door haar lachbui heen, hoe ik ook probeerde. De dikke dame liep zelfs wat blauw aan. Toen ik haar vragend aankeek, keek ze kwaad terug. ‘Godverdomme goorlap!’ riep ze en daarna, hysterisch hyperbolisch: ‘ik stik!’
Tussen het uitspreken van deze woorden door nam ze een extra lange teug van een zelfgedraaide sigaret die ze in haar linkerhand hield, zag ik nu. Ik begreep dat het lachen geen lachen was geweest, ook niet tijdens mijn voordracht. Daarom droop ik af, naar de ontvangsthal van het theater, waar mijn familie zich nog altijd had verzameld. Met mijn handen in mijn haar bestelde ik een cola, die lauw en volledig prikloos onder mijn neus werd geschoven.
‘Ik ben trots op je,’ zeiden mijn ouders haast in koor toen ik de eerste slok nam. Dat was meteen ook de laatste, want de rest zette ik terug op de bar.
‘En die vier euro,’ zei mijn moeder, ‘die krijg je gewoon van me, of je nu wil of niet.’
Ik keek naar buiten. De dikke dame was gestopt met hoesten en keek zwaarmoedig voor zich uit. Ik bedankte mijn moeder en realiseerde me dat het nu mijn beurt was om te lachen. Daarom nam ik de cola toch weer van de bar en dronk het glas moeiteloos in één slok leeg. ‘Proost!’ riep ik. De vrouw stond op en verliet het terrein.



Terug