Terug

Chocolade

Wanneer mijn moeder in vroeger jaren vanonder levensvocht lekte en ik me tussen de plastic speelautootjes (mét interactieve parkeergarage) schuilhield, werkte ze chocolade naar binnen alsof ze zonder plotsklaps dood neer zou vallen – en misschien was dat ook wel zo. Elke maand sloeg ze winkelwagens vol bruin goud in, om grofweg de helft daarvan op de terugweg in de auto al achterover te slaan en de resterende kilo’s achterin de voorraadkast op te slaan. Haar bedoeling was het om de genotsmiddelen daar voor mij en mijn zusje verborgen te houden, wat een dappere doch redelijk naïeve gedachte was. Toen namelijk ook mijn zusje op een leeftijd kwam dat het dagelijks gemoed voor een terugkerende korte periode ernstig wordt verstoord, ontdekte ze de geheime voorraad en plunderde die met snelheden die nooit meer geëvenaard zijn. Hoe ze het voor elkaar kreeg is me tot op de dag van vandaag nooit volledig helder geworden, maar mijn moeder heeft voor zover ik weet nooit doorgehad dat haar proviand in toch aardige hoeveelheden werd gestroopt. Gulzigheid dooft de hersenen. Mijn zusje deelde de verstopplaats toen ik op een zondagochtend met mijn handen in mijn haar zat om een proefwerk Duits van de volgende dag met mij, en omdat ik zag welke helende werking er van kleine reepjes melkchocolade uitging, vermoedde ik dat het niet zonder meer noodzakelijk is chagrijnig te zijn om vrolijker te worden van cacao. Ik nam twee repen mee naar mijn slaapkamer.

De eerste vrat ik met bijzonder veel smaak en erg snel op. Toen ik het papiertje van de tweede reep wilde halen, zwaaide mijn slaapkamerdeur open.
‘Ik dacht al,’ zei mijn moeder bits, ‘ik mis twee repen.’
Ontkennen heeft geen zin, bedacht ik. Zeker niet vandaag, morgen en overmorgen.

‘Klopt,’ zei ik en ik voelde mijn hart bonken, ‘maar …’
‘Niks te maren!’ hoorde ik en met grote passen kwam mijn moeder dichterbij. Toen ze niet meer dan een armlengte bij me vandaan was, griste ze de reep uit mijn handen en at hem in drie happen helemaal weg.
‘Zo heb je chocola, en zo niet meer,’ zei ik, om de stemming erin te houden.
‘Ja,’ zei mijn moeder. ‘Zo heb je chocola, en zo niet meer.’ Met de mouw van haar trui veegde ze haar mond af, waar inderdaad nog wat restjes waren blijven hangen. Ze knibbelde de korrels van haar trui.
‘Kom je zo eten?’ vroeg ze en ik stemde meteen in. ‘We eten stamppot,’ zei ze en wandelde de kamer uit.
Ik stond op van mijn bureaustoel en zag in de prullenbak nog een klein stukje liggen, dat aan het papiertje van de eerste reep was blijven hangen. Wat kan mij het ook schelen, dacht ik, nam het papiertje uit de prullenbak en likte het schoon. Dat proefwerk Duits zou wel in orde komen.



Terug