Terug

Dagboek

Sinds twee jaar schrijf ik elke dag in vier regels op wat ik die dag heb gedaan en wat me opviel. Ik vind het namelijk buitengewoon bevredigend om te lezen dat ik vorig jaar op deze dag drie aaneengesloten uren singerschijtend op het toilet doorbracht, en dat er vorige week een jaar geleden midden in de nacht een pizzabezorger voor de deur stond met een pizza margherita die ik uiteraard niet had besteld en die voor de nodige maagbubbels zorgde. De griep was juist overgewaaid, maar tegen te zwaar en te vet eten werd in mijn binnenste nog altijd fel geprotesteerd.

Ik houd het dagboek niet alleen bij om te zien hoe verdorven ik mijn leven eerder leefde en om de vooruitgang te zien die ik heb geboekt. Boven alles is het een manier om niet te vergeten. Wie schrijft, die blijft, zo luidt het motto dat te pas en te onpas in de schrijverswereld als antwoord wordt gegeven op de vraag wat nu eigenlijk het nut is van al die dwaasheden op dat vele papier te zetten. Daar zit een beetje waarheid in (een beetje, en heel veel beetjes slaat het helemaal nergens op), maar voor mij geldt dat wat ik schrijf(t), in mijn kop blijft. Zonder de aantekeningen van vorig jaar was ik al lang vergeten dat ik die drie uur op het toilet alle tegeltjes van onze badkamer zes keer heb nageteld (226), dat ik midden in de nacht slaapdronken een pizza van een Marokkaan aannam en er nog voor betaalde ook om de sterk naar knoflook geurende deegplaat een halve minuut later in de vuilnisbak te kieperen.

Ik ben vastberaden de rest van mijn leven in een paar regels mijn belevenissen op te schrijven, totdat mijn rimpelige en trillende parkinsonhandjes me het schrijven onmogelijk maken, zodat ik ook over vijftig jaar nog terug kan lezen dat ik vandaag een column schreef over dagboeken. Het kleine boekje zal vereerd zijn.



Terug