Terug

Ding

Wie jong is en zich voor een groep al even jonge mbo-studenten werpt om ze de magische sleutel tot de wondere wereld van de taal te overhandigen, die krijgt vroeg of laat (maar meestal vroeg, héél vroeg) te maken met hormonen die uit die klas van instagrampoppetjes en wandelde spiermassa’s tegen de muren omhoog kruipen en die zich dikwijls manifesteren in onbeholpen acties en uitspraken die beter binnensmonds hadden kunnen blijven. Ook ik ben niet gevrijwaard gebleven van dit soort taferelen.

Reeds in een van mijn eerste angst- en zweetdromen veroorzakende weken op de school waarvan ik het logo elke maand op mijn salarisstrookje voorbij zie komen, werd mij bijvoorbeeld op een nogal stuntelige wijze aan de liefde verklaard door een puistig meisje dat wat leeftijd betreft niet veel jaren van mij verwijderd was.
‘U heeft toch wel mooie kleren,’ zei ze zeer plotseling tijdens een moment waarin ze, net als de rest van de klas, rustig zelfstandig aan een opdracht aan het werken was. Nog voordat ik kon vragen waar ik die modaliteit van ‘toch wel’ aan te danken had, barstte de klas uit in een ingehouden geproest dat ik, Nobelprijswinnaar in de categorie ‘Stompzinnige Jeugdige Naïviteit’, niet plaatsen kon.
‘Ze vindt u een lekker ding!’ riep een van de andere meisjes. Bij dit exemplaar had ik het idee nog nooit haar ware gezicht gezien te hebben, omdat alles verstopt zat achter een centimeters dikke laag foundation. Ik vermoedde dat ze dat deed voor de goede zaak, dat wat ze verhulde afgrijselijk zijn moest, dat ieders ogen bij de aanblik van haar natuurlijke gelaat uit hun kassen zouden rollen. Ach, je moet toch iets om je als docent staande te houden in de weerbarstige wereld die het onderwijs heet.
Hoe dan ook. ‘Klopt,’ zei het meisje voor me, en schrok vervolgens zo van de onverbiddelijke waarheid van haar eigen woorden dat ze haar handen voor haar mond sloeg en net zo rood kleurde als de bladeren van de door de herfst verkleurende esdoorn die vanuit het lokaal te zien was. Ze keek me aan, slikte, en vertrok. Die les zag ik haar niet meer terug.

Naar mate mijn jaren verstrijken en het leeftijdsgat tussen mij en de door mij onderwezenen zal groeien als kool, zal ik dit soort momenten almaar minder gaan meemaken. Daarom koester ik ze, en bewaar ik ze in zorgvuldig geordende mapjes in de archiefruimtes tussen mijn oren. Volgende week maandag zal ik op school dan ook een van mijn ‘toch wel’ mooie overhemden aantrekken, zodat die mapjes steeds voller geraken, nu het nog kan.



Terug