Terug

Drumstel

‘Kom vanmiddag maar mee naar mijn schoonzoon,’ zei mijn buurvrouw op mijn vraag of ze er ernstige principiële of auditieve bezwaren tegen had als ik met het geld dat ik anderhalf jaar lang had gespaard een drumstel aan zou schaffen, ‘die trommelt er ook regelmatig op los.’ Mijn moeder knikte bemoedigend, waarschijnlijk hoopte ze net als mijn buurvrouw dat een confrontatie met de trommelvliesverscheurende realiteit mijn gedachten zou veranderen, en dus stapte ik die middag om een uur of vier bij mijn buurvrouw in de auto. ‘We eten nasi,’ zei ze, en dat verbaasde me hogelijk, omdat ik van een gezamenlijke maaltijd niets afwist. Ik had mijn moeder de aardappels al zien schillen voor de stamppot van vanavond.
‘Oké,’ zei ik desalniettemin, ‘lekker, nasi.’

Twintig minuten later reden we de straat waarin de vriend van de dochter van mijn buurvrouw woonde in en, niet geheel toevallig, bleek de schoonzoon in kwestie net een potje aan het drummen te zijn. Het geluid trilde aan het begin van de straat dwars door de auto heen. Ik verstond de man op het radionieuws nauwelijks meer.
‘Wat hard,’ zei ik. Mijn buurvrouw zweeg en parkeerde haar wagen.

‘Hallo,’ zei ik toen de dochter van mijn buurvrouw de deur opendeed, haar moeder met een kus begroette en mij toen onbetekenend aankeek. ‘Ik ben de zoon van de buurvrouw van je moeder.’ Zenuwachtig speelde ik met een van de touwtjes van mijn jas, ik wist anders ook niet wat te doen. De dochter keek me nog altijd aan en veel te laat realiseerde ik dat er meer tekst en uitleg mijnerzijds werd verwacht, dat mijn buurvrouw haar dochter naar alle waarschijnlijkheid dus niet had ingelicht. ‘Ik kom kijken naar het drumstel,’ voegde ik er daarom plompverloren aan toe. ‘En luisteren, vooral luisteren.’ De dochter haalde haar schouders op, keek naar haar moeder en liet ons binnen.

Ik werd naar een kelder geleid, waar tussen vier volledig met eierdozen beplakte muren een groot drumstel stond. Een man met koptelefoon leefde zich er volledig op uit – ondanks mijn toenmalige absoluut gebrekkige ritmische kennis twijfelde ik daarover niet. ‘Goedemiddag,’ riep ik hard, maar niet hard genoeg om boven de ongenadig harde knallen van de trommen uit te komen. Daarom zwaaide ik wat met mijn armen heen en weer om de aandacht van de man te trekken, wat uiteindelijk lukte. Hij stopte met drummen en zette zijn koptelefoon af. ‘Hallo,’ zei ik nog een keer, en, omdat ik had geleerd van mijn fouten: ‘ik ben de zoon van de buurvrouw van de moeder van je vrouw.’ Hij keek me aan, knikte en sloeg plots op een van de cymbalen. Ik schrok me twaalf ziektes tegelijkertijd, maar weigerde dit te laten merken. ‘Ik denk eraan ook een drumstel te kopen maar toen heeft de moeder van je vrouw me hiermee naartoe genomen.’ De schoonzoon zei niets, zette de koptelefoon weer op zijn hoofd en gaf een demonstratie die tien lange minuten duurde.

‘We hebben niet genoeg nasi voor vier man,’ zei de dochter toen we uit de kelder kwamen geklauterd, ‘dus we moeten denk ik maar naar de frituur.’
‘Ik ga wel,’ zei de schoonzoon. Voor het eerst hoorde ik zijn stem. Hij bracht een opvallend hoog, schel geluid voort. De buurvrouw knikte goedkeurend en wees naar mij. ‘Neem hem dan ook even mee,’ zei ze.
De stamppot van mijn moeder, dacht ik. Verdomme, de stamppot.

Weer stapte ik in een auto die me niet vertrouwd was, dit keer met een volstrekt onbekende die me om meerdere redenen de stuipen op het lijf joeg. De meeste moeders verbieden hun kinderen de omgang met vreemden, mijn moeder dwingt me daar gewoonweg toe, bedacht ik tijdens de rit die van stilte vervuld zou zijn. ‘We zijn er,’ waren de enige woorden die tijdens de rit werden gesproken, vlak voordat de schoonzoon met zichtbaar veel moeite de auto draaide voor een vervallen pand waaruit een diepvettige lucht opsteeg. Drummen ging hem beter af dan parkeren. We stapten uit, bestelden voor veel geld een vroegere dood door aderdichtslibbing en reden terug. Ook op de terugweg werden stembanden voor slijtage behoed. Terwijl ze een frikandel in haar handen hield en er een opvallend groot stuk van af beet, vroeg de buurvrouw hoe ik het had gevonden, het geluid. ‘Erg hard,’ zei ik, naast omdat ik het meende toch vooral omdat ik dacht dat dat antwoord van mij werd verwacht.
‘Te hard?’ vroeg de buurvrouw, haast onverstaanbaar omdat ze nu ook de resterende frikandel in haar mond stopte.
‘Ik denk het.’
‘Er bestaat ook zoiets als een elektrisch drumstel,’ piepte de schoonzoon. ‘Een aantal trommels die aangesloten zijn op een apparaatje waar je je koptelefoon in kunt steken. Alleen jij hoort dan het geluid.’ Ik knikte geïnteresseerd en dipte een bruinverbrand frietje in de mayonaise.

Toen ik een uur daarna thuiskwam, van opluchting struikelde ik over de deurmat, vroeg mijn moeder meteen of ik nog altijd een drumstel wilde. ‘Een elektrische, denk ik,’ en zonder dat verder uit te leggen plofte ik op de bank. Een haast onbedwingbare behoefte de kussens, het vloedkleed, de televisie, de kaarsenhouder op de kast, kortom alles wat bekend was, met liefde te overstelpen maakte zich van me meester.
‘Wil je jus?’ waren de woorden waarmee mijn moeder me van mijn roze wolk donderde.
‘Ik heb al gegeten,’ zei ik.
Mijn moeder stak haar gezicht om de deur van de keuken. ‘Hoezo?’ vroeg ze geïrriteerd. Met mijn vingers trommelde ik zenuwachtig op de randen van de salontafel. ‘Ik heb al frietjes gegeten bij de schoonzoon,’ hoorde ik mezelf nogmaals zeggen terwijl mijn vingers nog steeds trommelden. Verrek, dacht ik. In dat trommelen, daar zit ritme in.



Terug