Terug

Fiets

De volslagen desillusie waarmee je oog in oog komt te staan wanneer je tweewieler, die je toch zeker, zeker, zeker weten een half uurtje geleden op deze plek had neergezet, bij terugkomst verdwenen blijkt, valt met niets te vergelijken. Had ik hem dan toch een straat verder tegen een lantaarnpaal vastgemaakt, vraag je je af. Je kijkt nog eens goed, en nog eens en nog eens. Die fiets, die kan toch niet zomaar … zomaar weg zijn? Dieren hebben een eigen wil, dat wil je toegeven. Nog geen week geleden zag je dat met eigen ogen bij de poes van de aan de halve liter blikbier verslaafde buurman, die willens en wetens en in alle rust haar volledige maaginhoud in je achtertuin legde. Niets geen natuur of instinct, gewoon ouderwetse, haast menselijke eigenwijsheid. Dieren hebben een eigen wil ja, maar fietsen toch niet. Fietsen gaan er nooit op eigen houtje vandoor, tenzij ze een rol spelen in door volslagen idioten neergepende teksten. Fietsen, die blijven uit zichzelf staan waar ze staan.

Toch nog eens goed kijken, wie weet zag je hem over het hoofd. Een korte nacht slaap is doorgaans niet bijzonder goed voor de opmerkzaamheid des mensen – en met veel dank aan de buurman, die deze nacht weinig anders gedaan leek te hebben dan als gevolg van zijn drinkerijen met zijn kale hoofd tegen elk van zijn muren te beuken, sliep je deze nacht niet meer dan vier uur. Maar verrek, die fiets die staat hier echt niet. Hoe kan dat toch? Hij zou toch niet … dat iemand anders hem … Ondenkbaar. Je woont niet in Amsterdam of Rotterdam en hier komt dat soort criminaliteit niet voor. Nee zeg, hier jatten kinderen hooguit een handje snoep bij de Kruidvat. Fietsendiefstal, dat is iets voor de echte stad. Je loopt de straat nog maar eens uit om te check-check-dubbelchecken dat je je rijwieltje toch niet ergens anders hebt neergezet. Tevergeefs.

Je bent je in je radeloze zoektocht naar je fiets ondertussen toch wat onzeker gaan voelen en denkt eraan de aftocht te blazen, naar huis te gaan en daar hopelijk tot de conclusie te komen dat je helemaal niet met de fiets was gegaan maar de bus had genomen, kortom dat het toch die vermoeidheid was. De buurman. Je zucht eens en na nog éénmaal gecontroleerd te hebben of de fiets echt niet op de plek staat waar je hem verwachtte te zien, wandel je naar huis.

Daar aangekomen blijkt je fiets niet in zijn vaste plek in het opslaghok annex schuur annex verzamelplaats voor drieëndertigduizend kilo rotzooi en zelfs rommelmarktonwaardig spul te staan. Met je handen in het haar groet je de buurman, die apathisch voor zich uit starend in de voordeur staat en de naam van zijn poes fluistert. In zijn rechterhand, als altijd, een blik huismerkbier. Die man, denk je, die zou beter op zijn plek zijn in een gesticht dan in het huis naast mij. Je loopt nog eens naar de schuur, maar treft daar wederom geen fiets aan. Je geeft het op en besluit morgen aangifte te gaan doen. Morgen, niet nu, want de zoektocht heeft je uitgeput. Je wandelt naar binnen, neemt plaats op de bank maar staat toch weer op. Je bent moe en rusteloos. Je loopt naar het raam en kijkt. Een man in een grote groene auto, een langzaam voortslenterende bejaarde achter een rollator, de buurman die zijn poes in een mandje achterop zijn fiets zet. Achterop zijn fiets zet. Achterop zijn fiets. ZIJN fiets?



Terug