Terug

Gedachteloos

De eerste keer dat ik een werkelijk onbedwingbare neiging voelde om te schrijven, was zeven jaar geleden. Buiten veranderde het weer van zonnig langzaam maar zeker in een grillige samenkomst van luchtwater en de gedachte overviel me dat het juist nú was dat ik naar buiten moest om te schrijven. Ik nam een opschrijfboekje uit de la van mijn bureau en ging op pad. Terwijl de regen me het zicht door mijn brilglazen steeds onmogelijker maakte, leunde ik twee straten van mijn eigen huis tegen een lantaarnpaal en begon met het schrijven van romantisch bedoelde kletskoek. Dat door de regen de inkt waarmee ik letters bleef krabbelen me deed denken aan de uitgelopen mascara van mijn moeder toen ze vertelde dat het gewoon niet meer ging, samen met papa, hield me niet tegen. Ik noteerde de ene na de andere diepzinnig bedoelde dooddoener, maar dat zag ik niet in en schreef door. ‘Gedachteloos denk ik aan vroeger,’ schreef ik. Wat dat precies inhield wist ik niet, maar ik vond het goed klinken. Prachtig zelfs.

Een klein uur later betrad ik weer mijn huis waar mijn moeder aardappelen en boerenkool stampte alsof haar leven ervan afhing. Het was nu niet de overvloed aan regendruppels die mijn zicht belemmerde, maar de warme walmen van de ketel stamppot.
‘Ik heb iets geschreven,’ zei ik, ‘iets heel moois denk ik.’
Mijn moeder knikte, morste een beetje puree op het aanrecht en stampte verder.
‘Lees maar voor,’ zei ze. Ik was er niet zeker van of ze dat zei uit interesse of uit plichtsgevoel, maar ik las mijn stukje tekst voor.

‘Dat was het,’ zei ik een paar minuten later.
Mijn moeder keek me niet-begrijpend aan. ‘Ik begrijp het niet helemaal.’
Een korte stilte viel, waarna ik besloot dat dat goed was. De boeken die ik moest lezen voor school, begreep ik voor het merendeel ook niet. Toch sprak mijn docent Nederlands altijd lyrisch over die literaire werken. Over tot de orde van de dag: de stamppot werd over de borden verdeeld en tijdens het eten spraken we over de voorbije dag. Die avond las ik mijn tekst nogmaals, en nogmaals. Zonder al te veel na te denken en varend op mijn nog onontwikkelde schrijfintuïtie veranderde ik hier en daar ik een woord, maar hield de essentie gelijk.

Ik las de tekst gisteravond terug en lachte om mijn eigen naïeve onbenulligheid. De ‘essentie’ was dat er in feite geen essentie was – en om dat in te zien heb ik veel, heel veel teksten moeten schrijven en moeten lezen.
Wie weet hoe ik deze column over zeven jaar teruglees.



Terug