Terug

Glimlach

Waar anderen hun liefde voor de letteren te danken hebben aan leesgrage ouders of enthousiastelingen voor de klas, heb ik de literatuur zelfstandig moeten ontdekken, waarbij ik mezelf geruststellende woordjes moest toefluisteren om niet gillend gek te worden, voor een trein te springen of een overdosis te nemen, want is het wat, de literatuur. Toch is die groeiperiode niet onopgemerkt gebleven. Mijn leraar Nederlands, een lang, slungelig maar voornamelijk toch oud individu dat van doceren minder verstand had dan ik nu van de kwantumfysica maar die theoretisch van wanten wist, overhandigde me na afloop van een les literatuurgeschiedenis eens een brochure waarin van enkele hoogtepunten uit het werk van Gerard Reve werd gerept. ‘Lees dat maar eens,’ zei hij terwijl hij een glimlach forceerde.

Overmoedig begon ik als zestienjarige in De Avonden, een van de onbetwistbaar beste romans die de Nederlandse literatureluur ooit heeft voortgebracht, maar legde het vlug ook weer weg. Ik begreep er niets van. Jaren later, tijdens mijn docentenopleiding Nederlands, waardeerde ik het boek des te meer en verdiepte me in het werk van Reve, Neerlands meest vulgaire en provocerende lettermeester. Toen ik in een aantal boeken over de vele, vele autobiografisch getinte ontuchtelijkheden las die hij met (te) jong en oud uitvoerde, kreeg de geforceerde glimlach van mijn leraar destijds een vreemde bijsmaak. Desalniettemin had ik zelf het Revevuur in m’n kop aangestoken.

Om die reden bezocht ik tijdens de jaarlijkse zomerstop van mijn bezigheden het Revemuseum in Amsterdam. In de openbare bibliotheek van de hoofdstad is er wat ruimte ingericht om de maestro van de literair verantwoorde vulgariteit te aanbidden met onder andere enkele bijzondere drukken van bijzondere uitgaves van bijzondere boeken, wat beeldende kunst en een aantal persoonlijke bezittingen zoals een kroontjespen en een pluk haar. Terwijl mijn ogen rustten op wat van Reve geweest was, werd het vuur in mijn op onbegrijpelijk doch niet te stoppen wijze een heuse bosbrand. Gretig als een kind las ik een paar handgeschreven allerallerallereerste versies van beroemd geworden boeken en door het vuur dat laaide, kreeg ik het blijkbaar zichtbaar erg warm. Zoals praktisch altijd wanneer ik leef, was Lisa in de buurt.
‘Wat is er?’ vroeg ze nadat ik haar met gepaste afschuw naar een van Reves getrokken verstandskiezen had zien staren. ‘Je loopt wat rood aan.’ Ik zag dat er zelfs nog wat bloed aan de kies zat.
‘Niets, niets,’ zei ik en herhaalde dat nog tweemaal. Bij de laatste keer, ik kon er niets aan doen, forceerde ik een glimlach. ‘Echt: niets.’



Terug