Terug

Gordon

De mens is een creatie die nooit tot in het diepste wezen doorgrond kan worden, en ik spring dagelijks gaten in de ozonlaag om de god die dat uitgestippeld heeft, met mijn lippen liefkozend te toucheren. Werkelijk geen enkele bundeling neutronen in mijn lijf voelt namelijk de behoefte te weten waarom een groep hysterische homo’s onder leiding van de onvolprezen Cornelis Willem Heuckeroth, in de media en ver, ver daarbuiten beter bekend als Gordon, een gezellig spelletje Russisch hiv-roulette zou doen met een besmette heroïnespuit. De spelregels van het spel, dat Goor naar eigen zeggen ook niet bepaald kon behagen (maar wij, wij weten wel beter), staan beschreven in de literatuurprijswaardige biografie Gordon, een boek geschreven door Marcel Langedijk, dat vanwege de vele, vele mannennamen die komen en gaan een allegorie op de Bijbel zou kunnen zijn maar inhoudelijk veeleer overeenkomsten vertoont met het allereerste bijzonder slecht geacteerde (pleonasme! pleonasme!) seizoen van Goede tijden, slechte tijden.

Uit een liever niet nader te specificeren sensatielust schafte ik vorige week de digitale versie aan van wat het magnum opus van Langedijk moet zijn – een papieren versie te moeten etaleren in mijn door mezelf als heiligdom beschouwde boekenkast, zou me op verjaardagsfeesten en partijen op kritische blikken en vervelende vragen van literatuurminners komen te staan. Op de applicatie die ik speciaal voor het boek op mijn telefoon zette, las ik het boek in twee dagen uit, en even zo lang had ik nodig om van de schok die de letters me toebrachten te bekomen. In de achtenveertig uur die volgden op het naar links zwiepen van de laatste pagina, sprak en at ik nauwelijks en ik moest de nodige ‘gaat-het-wels’ en ‘is-er-ietsen’ respectievelijk bevestigend en ontkennend beantwoorden. Ook tegen mezelf loog ik. Er was niets en het ging prima.

Binnen in mij woekerde echter het onlosmakelijk met de groei naar de volwassenheid samenhangende besef dat de mensheid in alle denkbare facetten afgrijselijk verwerpelijk is en zichzelf vervloekt tot het allerverschrikkelijkste. Vaak is dat te wijten aan alle hobbels die een individu in zijn (of haar) (maar meestal toch zijn) leven moet overkomen, allemaal met dank aan dat hebberige kutwijf dat met haar grijpgrage klauwtjes niet van die appel af kon blijven. Als zij gewoon had geluisterd, had ik nu niet hoeven weten van de slechtste levende soort op onze aardkloot. Als zij gewoon de regels had gerespecteerd, had ik nu vrolijk in een veld vol kleurrijke boterbloemen mijn liefde gekust en had ik me daarvoor en daarna onbezoldigd en met gegarandeerd succes in het leven kunnen storten. Maar goed: wat niet is, is niet en komt meestal ook nooit meer.

Tijdens een vroege avondwandeling probeerde ik me neer te leggen bij wat wel is, maar dat lukte maar gedeeltelijk. Ik zuchtte en keek naar boven, alwaar een klein staafvorming stukje blauw met een nog dunner, haast onzichtbaar staafje aan het einde daarvan zichtbaar was tussen omringende wolkendekken. Onwillekeurig dacht ik aan Gordon, die thuis met bakken geld achter de mahoniehouten plinten van zijn villa zijn eenzaamheidstranen verdrijft met het spelen van verderfelijke spelletjes met lotgenoten en ik dacht: gelukkig kan het altijd erger.



Terug