Terug

Krulletters

Na een dag waarin ik door onkruid overwoekerde taalakkers in het hoofd van ontelbaar veel studenten had proberen om te ploegen, duwde ik mijn voordeur open en plofte neer op de bank die mij reeds door veel zware avonden hielp. Toen ik in het door die vele avonden naar mijn lichaam gevormde meubel plaats had genomen, merkte ik pas op dat er een brief op de deurmat lag. Geprikkeld door niets dan nieuwsgierigheid stond ik weer op, waggelde naar de deur en nam de brief op.
‘Toon Liesa’, stond er op de envelop in een handschrift dat ik ogenblikkelijk herkende. Het was hetzelfde handschrift waarin de brieven waren geschreven die ik eerder die week onder ogen kreeg, ruim 23 jaar lang zorgvuldig geconserveerd in een plakboek op zolder.
‘Vandaag ben je weer bij opa en oma,’ stond er in een van die brieven uit het plakboek met prachtig cursieve krulletters, ‘en we genieten van je vriendelijkheid. Je bent zo lief. Jij, mijn kleine Toon, hebt net je flesje gehad en ligt nu lekker te slapen. Papa en mama komen je zo halen. Nog even genieten van jou.’
Toen ik de brief las, slikte ik en voelde ik hoe ik willoos wegzakte in een moeras van zachtzoete herinneringen waaruit geen enkele ontsnapping mogelijk was. Ik twijfelde of ik dat zou willen, ontsnappen.
Ik keek naar de envelop. De cursieve krulletters waren er nog steeds, maar ze hadden iets twijfelachtigs gekregen, alsof ze een imitatie waren van zichzelf. Ik zag voor me hoe ze het geschreven moest hebben, de pen met alle macht in haar door de ouderdom getekende rechterhand, terwijl ze zich de spelwijze van onze namen trachtte te herinneren. Met diezelfde nauwgezetheid opende ik, terwijl nog altijd op de deurmat stond, de envelop en haalde er een wit, vierkant kaartje uit tevoorschijn.
‘Bedankt,’ stond er in de binnenkant van de kaart, ‘dat jullie er altijd voor mij zijn.’ Iets lager, met een streep eronder: ‘Kusje oma.’

Ik zag mezelf, als vraatzuchtige baby in het huis waarvan de inventaris inmiddels is verdeeld onder de Roumens, ik zag mezelf als kleuter eendjes voeren aan dezelfde hand die krulletters maken kon alsof het geen kunst was, ik zag de bak met speelgoed met plastic prullen die de wereld voor me waren, ik zag mij op het vijftigjarig huwelijksfeest, ik zag mezelf aan de kist van mijn opa en ik zag mijn oma het kaartje schrijven.
Ik zakte weer weg in het melancholische moeras waaruit ik eerder die week eigenlijk niet had willen ontkomen – en datzelfde gold voor toen, toen ik op de deurmat stond te janken met een krulletterkaart in mijn handen.



Terug