Terug

Literatuur

De auteur Alex Boogers spreidt in zijn schotschrift ‘De lezer is niet dood’ een prijzenswaardig idealisme tentoon. Hij stelt dat de literatuur en daarmee de lezer niet dood is, zoals wel door zovelen wordt verondersteld, maar dat er simpelweg niemand opstaat om de nieuwe lichting lezers op te leiden. Er zijn, in de kraamkamer van de literatuur, geen verloskundigen. Hij roept boekhandelaars, docenten Nederlands, schrijvers en uitgevers op om lezers te zoeken waar je ze niet verwacht.

Ik wil het graag met Boogers eens zijn en verkondigen dat het licht van de literatuur helemaal niet langzaam dooft, maar de werkelijkheid belet me dat. Bijzonder vaak wanneer ik mijn literaire ervaringen met anderen wil delen, stuit ik op een ondoordringbare muur van desinteresse, soms zelfs afkeer en walging. Ware literatuurliefde trof ik tot nu toe alleen nog maar sporadisch aan bij personen van een dusdanige leeftijd dat ze niet zouden misstaan als publiekstrekker van het Museum van de Oudheden. Een kleine illustratie: een aantal jaar geleden bezocht ik met drie studiegenoten (verplicht) een monoloog van Sjoerd Pleijsier – voor de onwetenden: een acteur die vroeger, héél vroeger een belangrijke bijrol in een televisieserie speelde – die in het teken stond van Wolkers’ Turks Fruit. Voordat Sjoerd het toneel betrad, had hij zo te ruiken zijn teleurstelling al met alcohol bestreden, en dat begreep ik volkomen. Naast dus nog niet eens een handjevol studenten, waren er slechts drie fossielen op de voorstelling afgekomen, die bovendien geen idee leken te hebben waar ze eigenlijk kaartjes voor hadden gekocht. Dat laatste constateerde ik door de verschrikte en ontstelde geluiden die werden voortgebracht toen al in de eerste minuten een breed scala aan kutten werd geschetst: bossen schaamhaar, ruw als zeegras, zacht als bont, droge kutten met wratten van binnen, kutten die je niet te zien kreeg omdat er een handje voor werd gehouden, kutten zacht en vochtig als een vlabroodje en ga zo nog maar even door. Een mevrouw hield haar vingers in haar oren, en haar man begon op gedempte toon een gesprek met een van mijn studiegenoten, over het weer. De laatste vrouw zat alleen maar, zat en staarde voor zich uit. Ook in de pauze bleef ze zitten en leek in het niets te kijken.

Het ironieteken, een uitroepteken met in het streepje een soort bliksemschicht, zit onder geen enkele knop van mijn toetsenbord. Dat is jammer, want anders had ik het in kunnen zetten bij de volgende slotzin die de intentie van mijn column kort en krachtig weer moet geven: Inderdaad, de lezer is niet dood.



Terug